xhe1_ AKSARA M. RAHMANAFP via Getty Images_indonesiacoal Aksara M. Rahman/AFP via Getty Images

Het IMF moet het risico van de klimaattransitie beperken

BEIJING – Uit de meest recente wetenschappelijke evaluatie van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering blijkt overduidelijk dat de kosten van niet-optreden tegen de opwarming van de aarde snel oplopen, en onevenredig zwaar zullen drukken op de armere landen die niet verantwoordelijk zijn voor het veroorzaken van het probleem. Maar wat vaak over het hoofd wordt gezien, is dat klimaatactie zelf ook onbedoelde negatieve effecten kan hebben in de ontwikkelingslanden.

Wetenschappers en centrale bankiers hebben het meestal over twee soorten klimaatgerelateerde financiële risicoʼs: ʻfysieke risicoʼsʼ en ʻtransitierisicoʼs.ʼ Terwijl fysieke risicoʼs het gevolg zijn van een toename van de emissieconcentratie, kunnen transitierisicoʼs ontstaan door technologische schokken, en door de invoering van klimaatbeleid en -regelgeving in belangrijke economieën.

Tussen 1850 en 1990 waren de Verenigde Staten en Europa verantwoordelijk voor 75 procent van de cumulatieve kooldioxide-uitstoot. Vandaag zijn zij goed voor ongeveer vijftig procent, terwijl China, India en andere opkomende economieën een groeiend aandeel voor hun rekening nemen. Gezien deze geschiedenis moeten de VS en Europa doortastend optreden om het klimaatprobleem aan te pakken en een pad uit te stippelen dat de snelgroeiende emissielanden in de wereld kunnen volgen.

De VS, de Europese Unie, China en India zijn samen goed voor meer dan 55 procent van het mondiale bbp. Aangezien zij de drijvende kracht zijn achter de mondiale productie- en consumptiepatronen, hebben hun acties de neiging naar andere landen ʻover te slaan.ʼ Een plotselinge invoering van beleid en regelgeving om het gebruik van fossiele brandstoffen in een van deze grote economieën geleidelijk af te bouwen, kan dus niet alleen materiële activa (zoals olieplatforms), maar ook werknemers en gemeenschappen doen ʻstranden.ʼ Veel andere landen in de wereld zouden dan te maken kunnen krijgen met fiscale en financiële instabiliteit.

Ambitieuze klimaatbeleidsmaatregelen om fossiele brandstoffen te vervangen door schone energiebronnen zullen alleen aan iedereen ten goede komen als zij deze risicoʼs van ʻtransitie-overloopeffectenʼ verminderen. Dat vergt coördinatie tussen landen en aanzienlijke investeringen in veerkracht, adaptatie en aanpassingssteun voor werknemers en ondernemers in de oude fossiele-brandstofsectoren.

Transitierisicoʼs kunnen zich voordoen wanneer klimaatmaatregelen in één land een negatieve schok veroorzaken op de betalingsbalans en de overheidsschuld van een handelspartner die fossiele brandstoffen of koolstofrijke goederen exporteert. Hoewel overloopeffecten in het klimaatverdrag van Parijs worden erkend, is er slechts beperkt onderzoek gedaan naar deze vorm van klimaatrisico en hoe dit risico het best kan worden beperkt, waardoor er een grote blinde vlek blijft bestaan in het streven naar een rechtvaardige transitie.

For just $1, you can unlock a three-month trial subscription to PS Digital.
PS_Digital_1333x1000_Trial-Offer_June-7-2024

For just $1, you can unlock a three-month trial subscription to PS Digital.

With your trial Digital subscription, you would enjoy full access to our suite of subscriber-exclusive content, the full PS archive, and all of the newest insights from PS contributors on economics, politics, and more.

START YOUR TRIAL NOW

Gelukkig probeert nieuw onderzoek van de Task Force on Climate, Development, and the International Monetary Fund, waarvan wij lid zijn, deze kenniskloof te dichten. In het eerste technische document van de taskforce onderzoeken we de implicaties van het door de EU voorgestelde koolstofgrensaanpassingsmechanisme (CBAM). Uit onze ramingen blijkt dat dit mechanisme de uitvoer en de welvaart in veel ontwikkelingslanden negatief zou beïnvloeden.

Bij een zo breed mogelijke toepassing van het CBAM zou de economie van Mozambique bijvoorbeeld met 2,5 procent kunnen krimpen, die van Rusland met 0,6 procent, en die van India, Egypte en Turkije elk met bijna 0,3 procent. De inkomens- en welvaartsongelijkheid tussen rijke en arme economieën zou dus kunnen toenemen, waardoor het vermogen van sommige lage-inkomenslanden om hun economie koolstofarm te maken nog verder zou worden uitgehold.

In een andere studie wordt onderzocht hoe koolstofbeprijzing in China (in overeenstemming met de scenarioʼs van het Network for Greening the Financial System) Indonesië, een opkomende markt met sterke handelsrelaties met de Chinese economie, zou beïnvloeden. De auteurs komen tot de conclusie dat een geleidelijke stopzetting van de Chinese steenkoolproductie, door een beperking van de vraag naar Indonesische steenkool, een negatief effect zou hebben op de Indonesische betalingsbalans, begrotingspositie en overheidsschuld, als gevolg van het stranden van activa in de mijnbouwsector, die een sleutelrol speelt in de binnenlandse economie.

Deze bevindingen zijn geen excuus om niets te doen aan het klimaat. Maar zij onderstrepen wel de behoefte aan meer internationale coördinatie. De matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering moeten worden nagestreefd op een manier die verenigbaar is met het behoud van de financiële stabiliteit, de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en de bevordering van gelijkheid binnen en over de nationale grenzen heen.

Als de enige mondiale, op regels gebaseerde, multilaterale instelling die belast is met de handhaving van de financiële stabiliteit, moet het IMF het voortouw nemen bij het beheer van de risicoʼs op overloopeffecten van de transitie. Als onderdeel van zijn mondiale en bilaterale toezichtstaken moet het de lidstaten helpen de bronnen van risicoʼs op de korte en langere termijn te identificeren. En het IMF moet samenwerken met de Wereldbank en andere instellingen voor ontwikkelingsfinanciering om landen te helpen de externe en binnenlandse middelen te mobiliseren die nodig zijn om hun economieën koolstofarm te maken, en tegelijk de fiscale en financiële stabiliteit te handhaven.

Maar zelfs dan zullen sommige landen onvermijdelijk onbedoelde gevolgen ondervinden. In die gevallen moet het IMF vermijden zware voorwaarden aan zijn financieringsprogrammaʼs te verbinden, aangezien gebleken is dat dergelijke bepalingen de armoede en ongelijkheid verergeren, en de groei op de lange termijn belemmeren. Een betere optie is een beroep te doen op nieuwe mechanismen zoals de voorgestelde Resilience and Sustainability Trust, die kortetermijnfinanciering zou verstrekken (zonder lastige voorwaarden en tegen gunstige tarieven) om de betalingsbalans- en liquiditeitsproblemen ten gevolge van de overlooprisicoʼs van de transitie te helpen aanpakken. Een andere mogelijkheid is een ʻEquitable Decarbonization Fundʼ (fonds voor billijke decarbonisatie), gefinancierd met behulp van CBAMʼs en binnenlandse koolstofheffingen, te gebruiken om de decarbonisatie in landen met fossiele brandstoffen te ondersteunen.

We bevinden ons nu in een belangrijk decennium voor de aanpak van de klimaatverandering. De toekomstige economische stabiliteit, groei en menselijke welvaart kunnen afhangen van de vraag of het IMF zijn rol als mondiale coördinator van het klimaatbeleid op zich zal nemen.

Vertaling: Menno Grootveld

https://prosyn.org/OhkOba4nl