15

De plantaardige oplossing van het hongerprobleem

BERLIJN – De manier waarop we eten in de geïndustrialiseerde wereld is ongezond, onrechtvaardig en niet duurzaam. Veel te veel van het vlees dat we consumeren wordt geproduceerd onder twijfelachtige ecologische, ethische en sociale omstandigheden. En nu wordt ons industriële model voor vleesproductie geëxporteerd naar het mondiale zuiden, vooral naar India en China, waar de vleesconsumptie onder de opkomende middenklassen toeneemt.

Wereldwijd wordt er ieder jaar 300 miljoen ton vlees geproduceerd, en de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties schat dat de jaarlijkse hoeveelheid in 2050 455 miljoen ton zal bedragen als de vraag in het huidige tempo blijft toenemen. Zulke grote hoeveelheden vlees kunnen louter op industriële schaal worden geproduceerd, en tegen hoge sociale, politieke en ecologische kosten.

De productie van vlees betekent een enorm inefficiënt gebruik van landbouwgrond, omdat er aanzienlijk méér plantaardig voedsel nodig is als veevoer dan wat we nodig zouden hebben om onszelf rechtstreeks te voeden door middel van een plantaardig dieet. Voor de productie van één kilo kippenvlees, varkensvlees of rundvlees is bijvoorbeeld respectievelijk 1,6, drie en acht kilo diervoeding vereist. Hierdoor komen boeren en veevoerproducenten tegenover elkaar te staan in een felle concurrentiestrijd om grond.

Intussen is de productie van soja – 's werelds belangrijkste diervoedingsgraan – gestegen van 130 miljoen ton in 1996 naar 270 miljoen ton in 2015, waarbij 80% van de oogst naar de vleesproductie ging, vooral in China (70 miljoen ton) en Europa (31 miljoen ton). Deze uitbreiding van de teelt van soja, als gevolg van de toenemende vraag naar vlees, stuwt de grondprijs omhoog. Daardoor worden in het mondiale zuiden gemeenschappelijke gronden geprivatiseerd en regenwouden vernietigd om plaats te maken voor landbouw, en onteigenen internationale landbouwbedrijven de grond waar één derde van de wereldbevolking nog steeds van afhankelijk is voor zijn levensonderhoud.

De productie van veevoer, en de intensieve landbouw die daarvoor nodig is, zorgt niet alleen voor de verwoesting van ecosystemen en een vermindering van de biodiversiteit, maar bevordert ook de klimaatverandering. Wereldwijd produceert onze industriële landbouw naar schatting 14% van de mondiale broeikasuitstoot; als we daar de emissies bij optellen die indirect verbonden zijn met ontbossing en met de productie van kunstmest, stijgt dat aandeel naar 24%. Bovendien verontreinigt het grootschalig gebruik van meststoffen en pesticiden – 99% van de soja in de wereld is genetisch gemodificeerd en wordt routinematig behandeld met pesticiden – ook de grondwaterbronnen, vernietigt het de biodiversiteit en erodeert het de bodem.

We kunnen de externe kosten van dit systeem niet langer negeren. Als we ernst willen maken met het aanpakken van de klimaatverandering en het recht van ieder mens op goede voeding en voedselzekerheid, moeten we de veronderstelling ter discussie stellen dat een industrieel landbouwmodel, laat staan vleesconsumptie, nodig is om de wereld te voeden.

Die veronderstelling is feitelijk op niets gebaseerd. Het Milieuprogramma van de VN schat dat in 2050 een gebied dat qua omvang het midden houdt tussen Brazilië en India voor de landbouw zal moeten worden ingezet als de huidige trends in de voedselconsumptie zich voortzetten. Maar als de 9,6 miljard mensen die tegen die tijd op aarde wonen een plantaardig dieet zouden hebben, zou de industriële vleesproductie achterwege kunnen blijven en zouden zij allemaal gevoed kunnen worden zonder de noodzaak van extra landbouwgrond.

Voor veel mensen is de strijd om grond een strijd om overleving. De toegang tot landbouwgrond, die nog onevenrediger is verdeeld dan de inkomens, is een bepalende factor als het gaat om de vraag of iemand lijdt onder ondervoeding: 20% van de huishoudens waar honger wordt geleden heeft geen eigen landbouwgrond, en 50% van de mensen die honger lijden bestaat uit kleine boeren.

De productieketens van de industriële landbouw moeten worden vervangen door plaatselijke, gedecentraliseerde en duurzame productieketens. Overheden moeten het recht op gezonde voeding van mensen voorrang geven op particuliere economische belangen. Mensen mogen hun levensonderhoud en voedselveiligheid niet verliezen omwille van de winsten van de agro-industrie.

Om stappen te maken in de richting van een ecologisch duurzaam en sociaal rechtvaardig landbouwmodel kunnen we bestaande politieke raamwerken zoals het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie inzetten. Zoals het er nu voorstaat, profiteren industriële vleesproducenten enorm van de Europese subsidies; maar deze subsidies kunnen ook worden gebruikt ter bevordering van gedecentraliseerde vlees- en graanproductieketens die een duurzamer model ondersteunen.

Daarvoor is wel nodig dat wordt erkend dat er realistische alternatieven voor de industriële landbouw bestaan. “Agro-ecologie” – een systeem, gebaseerd op traditionele, inheemse kennis, die generaties lang is doorgegeven – is bijvoorbeeld makkelijk aan te passen aan alle geografische omstandigheden. In 2006 heeft Jules Pretty van de Universiteit van Essex ontdekt dat de oogsten dankzij deze productiemethode met 79% kunnen worden verbeterd.

Maar om deze verandering door te kunnen voeren moeten regeringen ervoor zorgen dat alle mensen gegarandeerde toegang hebben tot grond en schoon drinkwater, en moeten ze politieke raamwerken creëren om ecologisch en sociaal rechtvaardige landbouwmodellen te bevorderen – die per definitie de industriële landbouw uitsluiten.

De uitdaging van het voeden van ieder mens moet niet worden gezien als iets wat in tegenspraak is met kwesties van sociale gerechtigheid en de toekomst van de planeet. Armoede, ondervoeding en honger zijn een gevolg van beleidskeuzes, niet van schaarste.

Vertaling: Menno Grootveld