Todd Korol/Toronto Star via Getty Images

De gespleten tong van de fossielebrandstoffensector

BERLIJN – Sinds de klimaatakkoorden van Parijs in 2015 zijn getekend, zijn veel te veel beleidsmakers gevallen voor de retoriek van de olie- en gasmaatschappijen over de manier waarop zij zouden kunnen helpen om de broeikasgasemissies te verminderen. Grote verhalen over “schone steenkool,” “oliepijleidingen ter financiering van schone energie,” en “gas als een overbruggingsbrandstof” hebben overheden ertoe verleid nieuwe fossielebrandstofprojecten goed te keuren, ook al dreigt de huidige productie van fossiele brandstoffen de temperaturen al tot ver voorbij het in Parijs overeengekomen plafond van maximaal 2° Celsius boven het pre-industriële niveau te stuwen.

Het Internationale Energie Agentschap (IEA) schat dat in 2016 de investeringen in de olie- en gassector in totaal $649 mrd bedroegen, en dat de fossielebrandstoffensubsidies in de G20-landen op $72 mrd uitkwamen. Tegen 2030 zullen de investeringen in nieuwe gasprojecten in de G20-landen naar verwachting de $1,6 bln overtreffen.

De industrie heeft duidelijk alle zeilen bijgezet om de productie en de winsten te laten groeien voordat de wereld zich naar een koolstofvrije economie beweegt. En tot nu toe is zij succesvol, omdat zij overheden heeft weten te overtuigen van meervoudige onwaarheden.

Om te beginnen is er de bewering dat aardgas een “overbruggingsbrandstof” naar een stabiel klimaat kan zijn, ook al is de klimaatimpact van aardgas dikwijls gelijk aan die van steenkool – of erger. In werkelijkheid zou een “run op gas” tegen 2050 bijnatweederde van het gezamenlijke koolstofbudget van de G20-landen opsouperen. Erger nog, nieuwe gasprojecten komen vaak niet in de plaats van steenkool, maar van wind- en zonne-energieprojecten, die nu in veel gebieden goedkoper zijn dan steenkool en gas. Het feit dat de meeste nieuwe investeringen in de gasproductie op z'n minst uitgaan van een dertigjarige operationele tijdlijn moet bewijs genoeg zijn dat er niet wordt aangestuurd op een reductie van de emissies in de nabije toekomst.

Je zou verwachten dat de Europese Unie de weg zou wijzen naar een koolstofvrije toekomst. Maar de EU lijkt precies het omgekeerde te doen. Sinds 2014 heeft de EU €1 mrd toegewezen aan de aardgassector. En hoewel deze uitgaven in het begrotingsvoorstel van de Europese Commissie voor de periode 2020-2027 worden verlaagd, kunnen de lidstaten nog steeds geld van de belastingbetalers blijven uitgeven aan de productie van fossiele brandstoffen. Maar volgens een onderzoek van de Britse klimaatwetenschappers Kevin Anderson en John Broderick moet de EU om aan haar klimaattoezeggingen te voldoen alle fossiele brandstoffen in 2035 hebben afgestoten.

Een andere fopeend van de industrie is dat de inkomsten uit de groei van de olie- en gassector nodig zijn om de overgang naar een schone economie te financieren. Deze onsamenhangende bewering heeft ten grondslag gelegen aan het beleid in Canada, waar de autoriteiten blijven aandringen op nieuwe grote pijpleidingen voor teerzandprojecten. Onlangs heeft de Canadese regering de Texaanse firma Kinder Morgan $3,4 mrdbetaald voor een 65 jaar oude pijpleiding om de geplande groei te kunnen garanderen, die het bedrijf te riskant had bevonden.

Subscribe now

Exclusive explainers, thematic deep dives, interviews with world leaders, and our Year Ahead magazine. Choose an On Point experience that’s right for you.

Learn More

Dit gebruik van publieke fondsen is bijzonder laakbaar, omdat het dreigt juist die energiebronnen een impuls te geven die de motor zijn achter de gevaarlijke klimaatverandering. Impliciet in iedere grote nieuwe investering in energie-infrastructuur is dat de operaties tientallen jaren zullen duren, omdat zelfs als de vraag en de prijzen drastisch zouden dalen, een eigenaar of belegger enig rendement op dat kapitaal zal prefereren boven helemaal niets. Als gevolg daarvan zal het politiek en juridisch veel moeilijker zijn een project dat eenmaal is opgestart nog te sluiten dan een project stop te zetten nog voordat het is begonnen.

Een derde ingrediënt van de sprookjes van de fossielebrandstoffenindustrie is de zogenaamde schone steenkool, waarbij vaak wordt verwezen naar technologieën voor het “vangen” en opslaan van CO2. Overheden en energiebedrijven hebben deze “CCS”-technologieën lange tijd voorgesteld als de zilveren kogel voor de klimaatverandering, en dus als een perfect excuus voor het uitstel van betekenisvolle reducties van het fossielebrandstofgebruik. En nu wordt CCS zelfs gepropageerd als een technologie die kan worden ingezet voor magische plannen om koolstof uit de atmosfeer te “zuigen.”

CCS werd oorspronkelijk ontwikkeld voor de zogenoemde “enhanced oil recovery” (EOR), waarbij onder hoge druk CO2 in oudere oliebronnen wordt gepompt om anderszins ontoegankelijke olie te kunnen winnen, wat leidt tot een aanzienlijke toename van de productie en dus van de broeikasgasemissies. De techniek is ruim veertig jaar gebruikt, vooral in de Verenigde Staten. Maar zij is kostbaar, zowel in termen van geld als van energie: een door steenkool aangedreven energiecentrale die gebruik maakt van CCS-technologie moet zelfs nog méér steenkool verbranden om dezelfde hoeveelheid energie te kunnen produceren.

De voornaamste reden dat oliefirma's zulke grote voorstanders zijn geworden van CCS is dat het hen een bron biedt van gesubsidieerde CO2 om voor EOR te gebruiken. Bedrijven als Shell en Statoil hebben decennialang miljarden dollars uitgegeven aan CCS-onderzoek en ontwikkeling, en zij moeten dat nu rechtvaardigen door met een paar commercieel verantwoorde CCS-operaties voor de dag te komen. Het is al duidelijk dat CCS alleen commercieel levensvatbaar is als het voor EOR wordt gebruikt, wat inhoudt dat steenkool zelf nooit een schone brandstof zal worden, ook niet als moderne filters kunnen worden ingezet om de luchtvervuiling door fijnstof terug te dringen.

Een laatste bewering die de olie- en gasmaatschappijen vaak doen, is dat zij ieder willekeurig project “schoner” kunnen uitvoeren dan wie dan ook. Energiebedrijven hebben hun best gedaan om nieuwe technologieën en maatregelen aan te kondigen die zogenaamd de efficiency van hun huidige activiteiten verbeteren, alsof dat hen het recht zou geven de productie onophoudelijk te verhogen.

Maar net als met de rest van de “doublespeak” van de industrie leidt deze logica er veel vaker wel dan niet toe dat de bedrijven nóg meer vast zullen komen te zitten in de huidige paradigma's, omdat ze steeds meer geld zullen uitgeven aan onbewezen technologieën die tot negatieve emissies zouden kunnen leiden, en in andere maatregelen die de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen alleen maar zullen continueren. De Canadese provincie Alberta, waar de meeste teerzandprojecten plaatsvinden, investeert bijvoorbeeld $304 mln, met het expliciete doel om “[teerzand-]bedrijven te helpen hun productie te verhogen en de emissies terug te dringen.”

In een tijd dat wetenschap en expertise steeds vaker worden afgedaan als elitaire hoogmoed, moeten overheden die beter weten de fossiele brandstoffenfirma's niet langer helpen te profiteren van de hand over hand toenemende klimaatcrisis. De propagandamachine van de industrie dreigt ons allemaal in een gevaarlijke status quo te vangen.

De mondiale klimaatbeweging tracht het leiderschap op dit terrein opnieuw vorm te geven, maar niet-gouvernementele organisaties en activisten alléén kunnen ons geen koolstofvrije toekomst bezorgen. Overheden die beweren zich aan de akkoorden van Parijs te willen houden, moeten met een robuust plan komen om van de fossiele brandstoffen af te komen, in plaats van de aanhoudende groei van de sector te blijven steunen.

Vertaling: Menno Grootveld

Lili Fuhr is hoofd van het Departement voor Ecologie en Duurzame Ontwikkeling bij de Heinrich Böll Stichting. Hannah McKinnon is directeur van het Energy Futures and Transitions Program bij Oil Change International.

http://prosyn.org/GMkKmR4/nl;

Cookies and Privacy

We use cookies to improve your experience on our website. To find out more, read our updated cookie policy and privacy policy.