0

Samenwerken in strijd tegen resistente bacteriën onontbeerlijk

LONDEN – De huidige antibiotica worden steeds minder effectief, niet alleen in het gevecht tegen gewone ziekten als longontsteking en urinewegontstekingen, maar ook bij het behandelen van een hele reeks infecties, zoals tuberculose en malaria, die opnieuw het risico lopen ongeneeslijk te worden. Nu de leiders van de landen van de G-7 in een recente gezamenlijke verklaring hebben toegezegd de 'anti-microbiële resistentie' (AMR) te zullen gaan aanpakken, is het tijd dat de omvangrijker G-20 – en China, dat deze groepering voor het eerst zal voorzitten – de strijd naar een hoger niveau tillen.

Iedereen zal last hebben van het onvermogen om iets aan AMR te doen, ongeacht nationaliteit of het ontwikkelingspeil van het land. In 2050 zouden als gevolg van AMR wel eens tien miljoen mensen per jaar kunnen overlijden, tegen zo'n 700.000 mensen vandaag de dag. In zowel China als India zouden tegen die tijd ongeveer één miljoen patiënten kunnen wonen. Op dat moment zou naar schatting al $100 bln aan mondiaal bbp verloren zijn gegaan.

Chicago Pollution

Climate Change in the Trumpocene Age

Bo Lidegaard argues that the US president-elect’s ability to derail global progress toward a green economy is more limited than many believe.

Geen enkele strategie van de G-7, hoe goed bedacht ook, heeft enige kans van slagen als de rest van de internationale gemeenschap zich afzijdig houdt. Infecties verspreiden zich doordat mensen die ze met zich meedragen rondreizen, maar dat geldt net zo goed voor de resistentie, wat betekent dat de enige oplossing voor AMR een gezamenlijke is. Dat is de reden dat de lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hebben ingestemd met de tenuitvoerlegging van een 'mondiaal actieplan tegen AMR,' en een beroep hebben gedaan op de Verenigde Naties om in 2016 een conferentie van politieke leiders op hoog niveau bijeen te roepen.

Bij deze inspanningen spelen de ontwikkelingslanden – met hun grote bevolkingsomvang, stijgende welvaart en toenemende internationale invloed – een belangrijke rol, waarbij China het goede voorbeeld moet geven. Wij van de Review on Antimicrobial Resistance (waarvan ik voorzitter ben) hebben al zo'n rol voor China aanbevolen, onder meer in discussies met sommige Chinese beleidsmakers.

Tussen nu en 2016 moet voor China de weg worden vrijgemaakt om in actie te komen. De lidstaten van de G-7 moeten daartoe concrete stappen nemen om de toezeggingen waar te maken die ze in een gezamenlijke verklaring hebben gedaan.

Eén zo'n toezegging is de vermindering van het gebruik van antibiotica in de veeteelt. Sommige Europese regeringen hebben op dit terrein al aanzienlijke vooruitgang geboekt. De Verenigde Staten zijn minder snel in beweging gekomen, maar hebben onlangs belangrijke beleidsstappen gezet.

Maar wellicht de beste manier om verandering te brengen in de wijze waarop de veeteelt wordt bedreven is het onder druk zetten van de grote voedselbedrijven – een actie waar consumenten een effectieve bijdrage aan kunnen leveren. De toenemende vraag naar gezonder voedsel, waaronder antibiotica-vrij vlees, heeft grote spelers in de voedselindustrie,  zoals McDonald’s, Costco en KFC er al toe gedwongen hun intentie uit te spreken om vlees met antibiotica geleidelijk uit te bannen.

Overheden zouden op deze ontwikkeling moeten inspelen door een grote campagne in de sociale media te voeren waarin de nadruk wordt gelegd op de verstandigere en gezondere gewoonten die mensen zich eigen zouden moeten maken – gewoonten die indirect de vraag naar antimicrobiële middelen zouden doen afnemen. De lage kosten en de mogelijk grote voordelen van zo'n campagne maken haar des te aantrekkelijker.

Een tweede toezegging die deel uitmaakt van de gezamenlijke verklaring – om te helpen verzekeren dat geneesmiddelen uitsluitend worden gebruikt als zij écht nodig zijn – lijkt misschien vanzelfsprekend, maar is feitelijk een van de belangrijkste problemen van AMR. De sleutel tot het aanpakken van dit probleem is, zoals de verklaring erkent, de ontwikkeling en de verbetering van de toegang tot snelle diagnostische testen.

Betere diagnostische technologieën liggen ongetwijfeld binnen het bereik van 's werelds topfirma's op technologisch gebied. Maar zij zullen pas investeren als zij er vertrouwen in hebben dat de gezondheidssystemen hun innovaties ook daadwerkelijk zullen gaan gebruiken. Als overheden bijvoorbeeld zouden eisen dat bepaalde diagnostische tests moeten worden uitgevoerd voordat er antibiotica kunnen worden voorgeschreven, zouden bedrijven de noodzakelijke prikkels krijgen.

Dergelijke eisen zouden op kritiek stuiten. Sommigen zouden beweren dat de tests te lang duren, en dat ze daarom niet altijd mogelijk zijn voordat je met een behandeling begint. Hoewel dat in zeldzame gevallen misschien waar is, zijn er veel terreinen waarop snelle en effectieve testen bestaan, die nog niet breeduit worden gebruikt – zowel in de ontwikkelde als in de ontwikkelingslanden.

Neem een van de meest voorkomende infecties: keelontsteking. Hoewel daar meestal geen bacteriële, maar een virale oorzaak aan ten grondslag ligt, worden keelontstekingen vaak behandeld met antibiotica – een aanpak die niet alleen ineffectief is, maar ook AMR-bevorderend werkt.

Een snel en eenvoudig uitstrijkje zou dit probleem kunnen oplossen – en inderdaad, zoiets bestaat al. Bij een proef van een Britse farmacieketen (die, zo moet worden toegegeven, slechts een klein aantal proefpersonen telde) zorgde het uitstrijkje voor een terugdringing van de hoeveelheid gebruikte antibiotica met bijna 60 procent. Investeringen in de ontwikkeling en inzet van deze technologie zouden kunnen leiden tot een aanzienlijke daling van het aantal antibiotische behandelingen van keelontstekingen, waardoor de druk op gezondheidszorgsystemen wordt verlicht en artsen veel tijd kunnen besparen.

Een derde imperatief, aanbevolen door de Review en erkend door de G-7, is beter toezicht op de verspreiding van tegen geneesmiddelen resistente infecties, met name in ontwikkelingslanden, waar dergelijke data het schaarst zijn. Op dit punt wijst onze eigen regering de weg: minister van Financiën George Osborne heeft in maart beloofd £195 mln ($307 mln) ter beschikking te stellen om opkomende landen te helpen de strijd tegen AMR te financieren. Ook stichtingen zullen waarschijnlijk een bijdrage leveren aan dit initiatief. Intussen richt de Amerikaanse regering zich op de ondersteuning van de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, via de Biomedical Advanced Research and Development Authority.

De wereld wordt geconfronteerd met vele uitdagingen en crises, voor de oplossing waarvan vrijwel altijd een sterke politieke wil en aanzienlijke investeringen nodig zijn. Maar feit is dat als het om AMR gaat regeringen een zeldzame kans hebben een grote crisis te voorkomen, tegen een fractie van de kosten van het reageren op een crisis als die eenmaal is uitgebroken. In de haast om de recente Ebola-uitbraak in West-Afrika te bestrijden moesten alleen al de Verenigde Staten $5,4 mrd aan publieke fondsen bijdragen. Voeg daar de besparingen voor de gezondheidszorgsystemen en zelfs werkgevers aan toe, en gezamenlijke en gecoördineerde acties om AMR te bestrijden worden nóg kosteneffectiever.

Fake news or real views Learn More

Dat is de reden dat de regeringen van de G-7 hun inspanningen moeten opvoeren om AMR aan te pakken. En het is de reden dat China en de andere opkomende economieën zich moeten aansluiten bij deze strijd. Samen kunnen we de genezende kracht van onze medicijnen veilig stellen.

Vertaling: Menno Grootveld