7

Een door moellahs geleid ontwikkelingsmodel

ISLAMABAD – Een langlopend debat binnen de economische – en breder de sociale –  wetenschappen heeft als inzet hoe het best internationale hulp te bieden aan ontwikkelingslanden. Moeten de regeringen van deze landen vertrouwen op wijsheid van bovenaf uit donor-hoofdsteden? Of moeten ze zich concentreren op het financieren van oplossingen van onderaf gedicteerd door de ontvangers?

Nu de regering-Trump voorstelt om in de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken te snijden en te bezuinigen op de fondsen die verschillende Amerikaanse organisaties toewijzen aan ’s werelds armsten, heeft dit debat nieuwe urgentie gekregen. En een respons uit de islamitische wereld – de begunstigde van een groot deel van de Amerikaanse hulp de afgelopen jaren – kan wellicht belangrijke lessen leren om de beste manier vooruit vorm te geven.

Simpel gezegd werkt de huidige benadering van Westerse landen niet. Dit kan het meest duidelijk waargenomen worden in mijn eigen land Pakistan; ondanks de enorme groei van het aantal hulp-dollars de afgelopen jaren, inclusief miljarden goedgekeurd door voormalig president Barack Obama, zijn zij die in het veld werken grotendeels afgesneden van het ontvangstproces. Er zijn bij het bieden van hulp aan Pakistani’s ruwweg zeventig separate lokale hulporganisaties en veertig internationale Ngo’s betrokken, maar de meeste beslissingen over hoe het geld dat ze ontvangen te besteden worden in het buitenland genomen.

Steun ontvangende landen zoals Pakistan staan aan de bodem van de internationale ontwikkelings-voedselpiramide. Begrotingen worden voorbereid in kantoren ver van de bedoelde plaats van aanbod, en bilaterale en multilaterale programma’s zetten meestal prioriteiten (zoals gezondheidszorg, scholing, of armoedereductie) zonder veel inbreng van het ontvangende land.

Toch zijn de begunstigde regeringen, hongerig als ze zijn naar hulpdollars, gewoonlijk maar al te gretig om de agenda’s te volgen voorbereid door donoren en hun contractanten. Ze zeggen ja tegen de voorwaarden, de studies en evaluaties. En ze stemmen in wanneer ze verteld wordt hoe en waar fondsen te alloceren. Lokale partners kunnen aan het eind van een lang proces waarbij teveel ‘experts’ betrokken zijn alleen nog maar de kruimels oprapen, wat de ontvangers vervreemdt en een uitzicht op een betere toekomst ontneemt.

Maar in plaats van simpelweg te bezuinigen op noodhulp, zoals de regering van Trump lijkt te willen doen, zou de VS moeten heroverwegen hoe – en niet of – hulp aangeboden wordt. En het is op dit vlak, in de van onderaf benadering die wordt getest in delen van de islamitische wereld, dat er belangrijke lessen opgepikt kunnen worden.

Het vacuüm gecreëerd door de tekortkomingen van Westerse hulpprogramma’s heeft in landen als Pakistan oplossingen van eigen makelij geproduceerd, waar sociaal denkende, ondernemende religieuze leiders – moellahs – hun aanwezigheid steeds meer gevoeld doen worden. Deze sleutelfiguren binnen de gemeenschap bieden moslims een helderder uitzicht op een beter leven dan Westerse hulporganisaties ooit hebben kunnen doen. Mensen kunnen zich aan moellahs relateren en geloven in wat ze te bieden hebben. Het is precies dit vertrouwen waar Westerse donoren nooit prioriteit aan gegeven hebben om te verwerven.

In Pakistan halen de moellahs fondsen op uit hun gemeenschappen en van overheids- en private donoren in de rijke olieproducerende landen. In tegenstelling tot financiering van bijvoorbeeld het Amerikaanse Agency for International Development worden de ontvangers niet belast met advieskosten of verplichte uitgaven-evaluaties. Er zijn geen beleidsmatrices, gecontroleerde onderzoeken, of veldrapporten om in te leveren. Er is slechts geld, opgehaald via religieuze kanalen en direct doorgesluisd naar de programma’s en gemeenschappen die het nodig hebben.

Door de hele moslimwereld opereren gemotiveerde ondernemende moellahs zonder bureaucratie en risicopremies, vijfsterrenhotels, of businessclass-tickets. Niet al hun inspanningen zijn altruïstisch; in een aantal gevallen hebben crowdfunding en informele netwerken terrorisme gesteund. Net als de Amerikaanse stemmers die voor Trump kozen is niet iedere moslim een ijverig feitenchecker. Maar in het overgrote merendeel van de gevallen hebben door moellahs geleide inspanningen geld opgehaald voor scholen, ziekenhuizen, en andere diensten waarin Westerse hulpgelden niet hebben kunnen voorzien, onderwijl vormgevend hoe moslimgemeenschappen zich kunnen ontwikkelen.

De vraag naar deze alternatieve vorm van hulp is groter geworden met het evidente falen van het op modernisering gebaseerde ontwikkelingsparadigma. Terwijl Westerse experts die gebureaucratiseerde oplossingen uitventten een oppervlakkige moderniteit hebben opgelegd, gebaseerd op kleding, taal, en levensstijl, hebben veel moslims geen vooruitgang gezien in de vorm van grotere economische kansen en een grotere sociale mobiliteit. Dus ze zochten en brachten hun eigen oplossingen tot stand.

Econoom William Easterly heeft betoogd dat de beste manier om de internationale ontwikkeling te hervormen is om geld te verleggen van verticale ‘experts’ naar ‘horizontale zoekers – zoals Nobelprijswinnaar en microkrediet-pionier Muhammad Yunus – die blijven experimenteren totdat ze iets vinden dat werkt voor de armen in het veld.’

Dit, zo betoog ik, is precies wat de moellahs in de islamitische wereld doen. Ontwikkeling is het meest succesvol wanneer deze voortkomt uit oplossingen die lokaal worden geïdentificeerd, getest, en in stand gehouden, en niet wanneer Westerse organisaties en technocraten grote sommen geld aan benaderingen van bovenaf spenderen.

Vandaag de dag biedt een nieuw soort islamitische ‘zoekers’ ontwikkelingsoplossingen van onderaf. Nu dit door moellahs geleide ontwikkelingsmodel zich blijft verspreiden in de islamitische wereld zouden experts in het Westen er goed aan doen om de redenen voor het succes ervan proberen te vatten.

Vertaling Melle Trap