18

Waarom heeft Trump het geld van Venezuela aangenomen?

CAMBRIDGE – Er schuilt een zekere ironie in het recente nieuws dat Venezuela een half miljoen dollar heeft gedoneerd aan de presidentiële inhuldiging van Donald Trump via het staatsolieconcern Petróleos de Venezuela (PDVSA). Venezuela is immers een land dat de afgelopen twee eeuwen vaker bankroet is gegaan dan de meeste andere landen.

Onlangs wilde Venezuela's despotisch-socialistische regering zó wanhopig een nieuw bankroet vermijden (dat het elfde zou zijn geweest sinds de onafhankelijkheid van het land) dat het haar industriële kroonjuwelen, waaronder de olieraffinaderij Citgo in de VS, aan de Russen en de Chinezen heeft verhypothekeerd. (Het merk Citgo is vooral bekend in mijn woonplaats Boston, Massachusetts, waar het iconische logo van het bedrijf een baken is geworden in de omgeving van Fenway Park, waar het baseball-team van de Red Sox speelt.)

Het is niet helemaal duidelijk waarom de Venezolaanse president Nicolás Maduro zó wanhopig probeert te voorkomen dat zijn land in gebreke blijft bij de aflossing van zijn buitenlandse schulden dat hij zijn eigen volk laat verhongeren, op dezelfde manier waarop de Roemeense dictator Nicolae Ceauşescu dat deed in de jaren tachtig. Met zulke ernstige tekorten aan voedsel en basale medicijnen lijdt het weinig twijfel dat als en wanneer de autocraat eindelijk wordt afgezet, er een paar akelig bekende gruwelverhalen zullen opduiken.

Het is simplistisch om de Venezolaanse tragedie af te schilderen als een ongeloofwaardig verhaal over wat er gebeurt als een land wordt overgenomen door linkse populisten. De rechtse regeringen van de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw waren ook corrupt; en hoewel het nationale inkomen steeg, was de inkomensverdeling een van meest ongelijke ter wereld. Maar het is waar dat de huidige horrorshow in Venezuela bovenal een product is van twee decennia links wanbeheer.

Er was een tijd dat een bijdrage zoals die van Venezuela aan Trumps inauguratie slechts een schijntje bedroeg van een veel groter hulpbudget. Onder zijn vorige president, de charismatische Hugo Chávez, heeft Venezuela met zijn oliegeld in de rondte gestrooid, grotendeels ter ondersteuning van andere populistische anti-Amerikaanse regeringen in de regio. Chávez financierde zelfs huisbrandolie voor een paar huishoudens met lage inkomens in de VS, een programma dat beroemd is geworden door de televisie-advertenties van de vroegere Amerikaanse afgevaardigde Joe Kennedy II uit 2006.

Dat was in de tijd dat de hoge en stijgende olieprijzen hielpen de inkomsten van Venezuela op peil te houden, ook al zorgde het economisch wanbeheer ervoor dat de olieproductie in een neerwaartse spiraal terechtkwam. Venezuela heeft qua rijkdom natuurlijk nooit in de schaduw van de VS kunnen staan, dus zijn hulpbudget was als het geven aan de armen door geld af te pakken van de nét iets minder armen.

Nu de olieprijzen dramatisch zijn gedaald sinds de dood van Chávez in 2013 als gevolg van kanker moet zijn opvolger, die het charisma heeft van een natte theedoek, proberen het te redden zonder dezelfde makkelijk verkrijgbare middelen. En hoewel Chávez een autocraat was, won hij waarschijnlijk wel écht zijn verkiezingen.

De verkiezing van Maduro in 2013 was daarentegen een zeer benauwde zege die veel mensen nog steeds in twijfel trekken; om te beginnen kreeg de oppositie vrijwel geen televisietijd, ook al hielden idealistische academici staande dat Maduro eerlijk had gewonnen. Het is begrijpelijk dat linkse wetenschappers een deel van het herverdelings- en onderwijsbeleid van de socialistische regering aantrekkelijk vonden, zoals bijvoorbeeld Nobelprijs-winnaar Joseph Stiglitz toen hij de hoofdstad Caracas in 2007 bezocht. Maar de bereidheid van links om de ontmanteling van democratische instituties in Venezuela over het hoofd te zien doet eerder denken aan de relaties met Latijns-Amerikaanse dictators van rechtse Chicago-economen in de jaren zeventig.

Vandaag de dag is de Venezolaanse economie een regelrechte ramp, terwijl de instorting van de groei en de bijna-hyperinflatie zorgen voor wijdverbreid menselijk lijden. Onder zulke omstandigheden zou je een traditionele Latijns-Amerikaanse militaire coup verwachten. Het feit dat die in Venezuela uitblijft is nauwelijks een weerspiegeling van sterke democratische instituties. De regering geeft het leger eerder de vrije hand in het runnen van de drugshandel, waardoor veel generaals en functionarissen extreem rijk worden – en in staat zijn om de loyaliteit van belangrijke legeronderdelen te kopen.

En dit brengt ons terug bij het bizarre spektakel van dit economisch wanhopige land, dat helpt Trumps inhuldigingsfeestje te financieren. Net als Joe Kennedy II kunnen de organisatoren uit het kamp van Trump zeggen: als Venezuela zijn geld wil besteden aan het beter maken van het leven van zijn veel rijkere noordelijke buurland, wie zijn zij dan om nee te zeggen?

In beide gevallen hadden de VS echter nee móeten zeggen: hoewel de bijdrage in alle openheid heeft plaatsgevonden, is de symboliek van een rijk land dat geld aanneemt van een arm buurland waar miljoenen mensen honger lijden, niet bepaald aantrekkelijk. En het is vooral bizar dat juist nu het Amerikaanse beleid jegens Mexico de kansen enorm heeft vergroot dat daar een anti-Amerikaans type van het slag-Chávez president wordt, Amerikaanse functionarissen positieve publiciteit bieden aan een regering die een karikatuur is van serieus bestuur.

Trumps voorganger, Barack Obama, nam een principieel standpunt in inzake de Amerikaanse omgang met Venezuela, door sancties op te leggen om ongewenst gedrag in te perken, een beleid dat op steun van beide partijen kon rekenen. De regering-Trump moet deze koers blijven volgen, vooral nu de lagere olieprijzen de macht van de Venezolaanse regering hebben ondermijnd. In plaats van op Latijns-Amerika in te beuken moeten de VS aantonen een betrouwbare en principiële vriend te zijn, die zich niet laat verleiden door wat voor corrupt smeergeld ook.

Vertaling: Menno Grootveld