13

De onzekerheid van ongelijkheid

NEW YORK – De mondiale ongelijkheid bevindt zich vandaag op een niveau dat voor het laatst eind 19e eeuw is waargenomen – en zet haar stijgende lijn voort. Hiermee samen hangt een gevoel van onmacht dat de vervreemding en woede heeft aangewakkerd, en zelfs tot nationalisme en xenofobie heeft geleid. Nu mensen het lastig vinden hun slinkende deel van de taart te behouden, hebben hun zorgen een politieke opening gecreëerd voor opportunistische populisten, waardoor de wereldorde in beroering is gebracht.

De kloof tussen arm en rijk vandaag de dag is verbijsterend. Oxfam heeft geconstateerd dat de acht rijkste mensen in de wereld nu net zoveel rijkdom bezitten als de armste 3,6 miljard. En de Amerikaanse Senator Bernie Sanders heeft er onlangs op gewezen dat de familie Walton, de eigenaar van detailhandelsketen Walmart, nu meer rijkdom heeft dan de onderste 42% van de Amerikaanse bevolking.

Ik kan daar mijn eigen schokkende vergelijking aan toevoegen. Gebruikmakend van de database van Credit Suisse over rijkdom, ben ik erachter gekomen dat de totale rijkdom van de drie rijkste mensen op aarde groter is dan die van alle mensen in drie landen – Angola, Burkina Faso em de Democratische Republiek Congo – die samen een bevolking hebben van 122 miljoen zielen.

Eerlijk gezegd is er de afgelopen decennia wel veel vooruitgang geboekt bij het terugdringen van de extreme armoede – gedefinieerd als een besteedbaar inkomen van minder dan $1,90 per dag. In 1981 leefde 42% van de wereldbevolking in extreme armoede. In 2013 – het laatste jaar waar we samenhangende gegevens over hebben – is dat aandeel naar minder dan 11% gezakt. Kleine hoeveelheden bewijsmateriaal duiden erop dat de extreme armoede nu net iets meer dan 9% bedraagt.

Dat is zeker iets om te vieren. Maar ons werk is nog lang niet klaar. En in tegenstelling tot wat mensen doorgaans denken, mag dat werk niet beperkt blijven tot de ontwikkelingslanden.

Zoals Nobelprijswinnaar Angus Deaton onlangs heeft gezegd, blijft extreme armoede ook in de rijke landen een serieus probleem. “Miljoenen Amerikanen – zwart, wit, Hispanic – leven nu in huishoudens waar het inkomen per individu minder dan $2 per dag bedraagt. Gezien de veel hogere kosten van levensonderhoud (inclusief onderdak), zo merkt hij op, kan zo'n inkomen in een land als de VS een nog groter probleem zijn dan in bijvoorbeeld India.

Dit blijkt bijvoorbeeld in New York City, waar het aantal geregistreerde daklozen is gestegen van 31.000 in 2002 naar 63.000 vandaag de dag. (Het werkelijke cijfer, inclusief mensen die nooit gebruik hebben gemaakt van opvangcentra, is ongeveer 5% hoger). Deze ontwikkeling is samengegaan met een scherpe stijging van de kosten van huisvesting: de afgelopen tien jaar zijn de huren ruim drie maal zo snel gestegen als de lonen.

Ironisch genoeg betalen de rijken – per eenheid – juist minder voor veel goederen en diensten. Een goed voorbeeld is vliegen. Dankzij frequent-flier-programma's betalen rijke luchtreizigers minder voor iedere kilometer die ze vliegen. Hoewel dit zinvol is voor de luchtvaartmaatschappijen, die op deze wijze de loyaliteit van hun frequent fliers willen belonen, is het een van de manieren waarop rijken op de markt worden voorgetrokken.

Dit verschijnsel doet zich ook voor in arme economieën. Uit een onderzoek naar Indiase dorpen blijkt dat de armen worden geconfronteerd met systematische prijsdiscriminatie, waardoor de ongelijkheid nog wordt versterkt. In feite neemt de Gini-coëfficiënt (een gebruikelijke maatstaf voor ongelijkheid), als je de verschillen in prijzen die door arm en rijk worden betaald meerekent,  er 12 tot 23% door toe.

De welgestelden krijgen ook een hele hoop goederen voor niets. Een schijnbaar triviaal voorbeeld is dat ik me niet meer kan herinneren wanneer ik voor het laatst een pen heb gekocht. Ze verschijnen vaak simpelweg op mijn bureaublad, onbedoeld achtergelaten door bezoekers. Ze verdwijnen ook weer net zo vaak, omdat mensen ze onopzettelijk meenemen. Wijlen Khushwant Singh, een bekende Indiase journalist, heeft ooit gezegd dat hij alleen maar naar conferenties ging om pennen en papier in te slaan.

Een niet zo triviaal voorbeeld is de belastingheffing. In plaats van dat zij het meeste belastinggeld bijdragen, kunnen de rijkste mensen vaak profiteren van mazen in de wet en aftrekposten die niet openstaan voor minder verdienenden. Zonder ook maar enige regel te hoeven schenden ontvangen de rijken subsidies, die een veel grotere positieve impact zouden hebben als ze aan de armste mensen ten goede zouden komen.

Buiten deze concrete ongelijkheden zijn er ook minder voor de hand liggende, maar net zo schadelijke onevenwichtigheden. In iedere situatie waar, juridisch gesproken, de rechten van mensen niet worden afgedwongen of zelfs maar gespecificeerd, zal de uitkomst waarschijnlijk afhankelijk zijn van de gewoonte, waarbij de rijken meestal zwaar in het voordeel zijn. Rijke burgers kunnen niet alleen stemmen; zij kunnen verkiezingen beïnvloeden met behulp van donaties en andere middelen. In deze zin kan excessieve inkomensongelijkheid de democratie ondermijnen.

Uiteraard is in iedere goed bestuurde economie een zekere mate van ongelijkheid onvermijdelijk en zelfs noodzakelijk, om prikkels te creëren en de economie te versterken. Maar vandaag de dag is de ongelijkheid qua inkomen en rijkdom zo extreem geworden, en zo vastgeroest, dat zij generaties lang kan voortduren, omdat familierijkdom en erfenissen een veel grotere invloed uitoefenen op iemands economische vooruitzichten dan talent en hard werken. Dit werkt twee kanten op: net zoals kinderen uit rijke gezinnen waarschijnlijk als volwassenen ook rijk zullen zijn, zullen kinderen van bijvoorbeeld voormalige kinderarbeiders in hun kindertijd waarschijnlijk ook moeten werken.

Niets van dit alles kan individuen worden verweten. Veel rijke burgers hebben aan de samenleving bijgedragen en het spel netjes volgens de regels gespeeld. Het probleem is dat de regels dikwijls in hun voordeel werken. Met andere woorden: inkomensongelijkheid vloeit voort uit systeemfouten.

In onze gemondialiseerde wereld kan de ongelijkheid niet door de markten en lokale gemeenschappen worden opgelost, net zomin als de klimaatverandering. Naarmate de gevolgen van de toenemende binnenlandse ongelijkheid doordringen tot de geopolitiek, waardoor de stabiliteit wordt ondermijnd, is de noodzaak om nieuwe regels op te stellen, en nieuwe herverdelingssystemen en mondiale overeenkomsten te ontwerpen, niet langer een zaak van ethiek; het wordt steeds meer een zaak van overleving.

Vertaling: Menno Grootveld