skidelsky161_Busakorn Pongparnit_getty images_economic policy Busakorn Pongparnit/Getty Images

De stille revolutie in het economisch beleid

LONDEN – Er is iets buitengewoons gebeurd met de macro-economische beleidsvorming. Deels als gevolg van de impact van COVID-19 is de oude orthodoxie vervangen door een nieuwe – maar zonder dat iemand de implicaties van deze verschuiving onderkent, of zelfs maar wil toegeven dat er problemen waren met de vorige consensus.

In een recent interview heeft Paul Tucker, voormalig plaatsvervangend gouverneur van de Bank of England (BOE), bijvoorbeeld gezegddat ʻhet monetaire beleid nu op de tweede plaats moet komen ten opzichte van het begrotingsbeleid.ʼ Andere centrale bankiers, hoge ambtenaren van ministeries van Financiën, en functionarissen van de OESO en het Internationale Monetaire Fonds zeggen ongeveer hetzelfde.

Wat deze financiële paladijnen echter nooit of slechts zelden erkennen, is hoezeer zij het in het verleden bij het verkeerde eind hadden. De Financial Times, dat bastion van het financiële establishment, kwam nog het dichtst in de buurt van een mea culpa met zijn recente schoorvoetende bekentenis dat de bezuinigingen die de krant in 2010 had bepleit ʻmisschien een grotere negatieve impact hebben gehad dan we hadden verwacht.ʼ Toch wordt ook hier geen gewag gemaakt van de omvang van de breuk met de theorie voor het macro-economisch beleid die nog maar een paar jaar geleden de overhand had.

Vóór de crash van 2008-09 dachten velen dat macro-economische stabilisatie vooral een taak was van de monetaire beleidsmakers, die moest worden uitgevoerd door onafhankelijke centrale banken door middel van hun rentebeleid, waarbij moest worden gestreefd naar een gemandateerd inflatiepercentage. Dit vloeide voort uit de orthodoxe overtuiging dat economieën cyclisch stabiel waren, op voorwaarde dat de inflatie onder controle zou worden gehouden. Het begrotingsbeleid zou passief moeten zijn, of zelfs gericht op krimp, als bezuinigingen het vertrouwen van de markten konden vergroten.

Het geloof in de superioriteit van het monetaire beleid overleefde zelfs de grote inzinking van 2008-2009. Kwantitatieve versoepeling (QE), ofwel ʻonconventioneel monetair beleid,ʼ zoals het werd genoemd, zou de plaats innemen van het orthodoxe rentebeleid als de nominale referentierente de ʻnulgrensʼ zou bereiken. Centrale banken werkten allerlei fantasierijke ʻtransmissiemechanismenʼ uit, waardoor het extra geld dat zij in handen van obligatieverkopers plaatsten naar de reële economie zou vloeien, zonder rekening te houden met de mogelijkheid dat het grootste deel ervan zou worden gebruikt om uitgeputte bankreserves aan te vullen of financiële activa te ruilen. Ondertussen moesten de regeringen hun steentje bijdragen door in hun eigen uitgaven te snoeien.

Hoewel de combinatie van monetaire expansie en budgettaire inkrimping niet het verwachte herstel teweegbracht, was het geloof in de monetaire therapie nog steeds sterk toen in 2020 de COVID-19-pandemie toesloeg. Dit weerhield regeringen ervan serieus na te denken over het sluizen van de honderden miljarden aan nieuw QE-geld naar die delen van de reële economie die open bleven voor het bedrijfsleven, in plaats van miljoenen mensen maandenlang betaald verlof te geven.

Subscribe to Project Syndicate
Bundle2021_web4

Subscribe to Project Syndicate

Enjoy unlimited access to the ideas and opinions of the world's leading thinkers, including weekly long reads, book reviews, and interviews; The Year Ahead annual print magazine; the complete PS archive; and more – All for less than $9 a month.

Subscribe Now

Het meest opmerkelijke kenmerk van de reacties van de westerse regeringen op de pandemie was in feite het ongerichte karakter ervan. Beleidsmakers gaven de voorkeur aan massale lockdowns en verlofdagen boven pogingen om mensen aan het werk te houden door technisch uitvoerbare massale test-, opsporings- en traceringssystemen in te zetten, zoals veel Oost-Aziatische landen deden.

Inmiddels is het kwartje wél gevallen. Bij ontstentenis van een stimulans zijn de Europese en Amerikaanse economieën in 2020 naar verwachting in het hoogste tempo gekrompen sinds de Tweede Wereldoorlog, terwijl de werkloosheid tegelijkertijd navenant is gestegen. Nu komt er een einde aan de verlofregelingen, en zeggen de centrale banken dat ze door hun munitie heen zijn – dat wil zeggen dat ze obligatiehouders niet langer het vertrouwen kunnen blijven geven dat ze zullen worden terugbetaald.

Onder deze omstandigheden is het begrotingsbeleid het enige instrument dat overblijft. Wij hebben dringend behoefte aan een nieuw macro-economisch kader dat de doelstellingen van een actief begrotingsbeleid, de regels voor het voeren van dat beleid en de coördinatie daarvan met het monetair beleid omvat.

Aangezien we te maken hebben met een schok aan zowel de vraag- als de aanbodzijde, zal het herstelbeleid zich ook moeten richten op de aanbodzijde. Met andere woorden, de Keynesiaanse remedie voor de vraagzijde, waarbij mensen worden betaald om gaten te graven en deze weer op te vullen, is niet afdoende. Hoewel iedere rechtstreekse impuls voor de vraag ook indirect het aanbod zal stimuleren door het nationaal inkomen te verhogen, dreigt een ernstige vertraging in de reactie aan de aanbodzijde te zullen leiden tot inflatie. Investeringen in nieuwe capaciteit moeten daarom een belangrijk onderdeel vormen van elke budgettaire impuls.

Dit vereiste zal op haar beurt de aandacht van de beleidsmakers vestigen op de aard van het aanbod dat de economieën van de toekomst nodig zullen hebben. Met het oog op de langetermijnuitdagingen van automatisering en klimaatverandering moet ieder post-pandemisch herstelbeleid gericht zijn op het veiligstellen van de duurzaamheid van de economie, en niet alleen van haar cyclische stabiliteit.

Voor het begrotingsbeleid pleit niet alleen dat het een krachtiger (want doelgerichter) macro-economische stabilisator is dan het monetaire beleid, maar ook dat de overheid, afgezien van het financiële stelsel, de enige entiteit is die kapitaal kan toewijzen. Als we niet bereid zijn investeringen in technologie en infrastructuur te laten bepalen door een zuiver financiële logica, dan wordt de noodzaak van wat Mariana Mazzucato een ʻtaak-gerichteʼ publieke investeringsstrategie noemt, die ook het belastingbeleid omvat, onontkoombaar.

De tweede grote discussie die we moeten voeren betreft de verhouding tussen het begrotings- en het monetair beleid. In het Verenigd Koninkrijk heeft de uitbreiding van de kwantitatieve versoepeling sinds maart 2020 exact de stijging van het begrotingstekort gevolgd. Kan de perceptie van de onafhankelijkheid van de BOE en de geloofwaardigheid van haar inflatiedoelstelling blijven bestaan als de centrale bank het afgelopen jaar is opgetreden als agent van het ministerie van Financiën?

Als de overheid dé actieve macro-economische speler moet zijn, moeten we uitzoeken of de centrale bank haar traditionele rol van controleur op budgettaire excessen moet terugkrijgen, en hoe dat eventueel zou kunnen. Maar de begrotingsregels zelf zullen moeten worden herschreven om zowel een actiever anticyclisch beleid als een veel grotere rol van de overheid bij de allocatie van kapitaal mogelijk te maken dan de laatste tijd in de mode was.

De pandemie biedt de gelegenheid voor een open publieke discussie over deze zaken. Het is te hopen dat dit debat in de plaats komt van het systeem van knikken, knipogen en stilzwijgende afspraken dat al veel te lang onze economische voorspoed – of tegenspoed – heeft bepaald.

Vertaling: Menno Grootveld

https://prosyn.org/AdS1BGFnl