10

De verstandige uitspraak van het Indiase Hooggerechtshof over het patentrecht

NEW YORK – De weigering van het Hooggerechtshof van India om het patent op Gleevec overeind te houden, het succesvolle kankergeneesmiddel dat werd ontwikkeld door het Zwitserse farmacieconcern Novartis, is goed nieuws voor veel mensen in India die aan kanker lijden. Als andere ontwikkelingslanden het voorbeeld van India volgen, zal dit ook op andere plekken goed nieuws zijn: dan kan er meer geld worden besteed aan andere doelen, of dat nu de bestrijding van AIDS is, het bieden van onderwijs of het doen van investeringen die leiden tot groei en vermindering van de armoede.

Maar het Indiase besluit betekent ook minder geld voor de grote farmaceutische concerns. Het zal niemand verbazen dat dit heeft geleid tot een overspannen reactie van deze firma's en hun lobbyisten: de uitspraak, zo betogen zij, vernietigt de prikkel tot innovatie en zal dus een ernstige klap zijn voor de mondiale volksgezondheid.

Deze beweringen zijn zwaar overdreven. Zowel in economisch als in sociaal opzicht is het besluit van het Indiase gerechtshof verstandig. Bovendien is het slechts een lokale poging om het mondiale regime van intellectuele eigendomsrechten weer in evenwicht te brengen. Dit regime bevoordeelt de belangen van de farmaceutische industrie, op kosten van het sociaal welzijn. Er is sprake van een toenemende consensus onder economen dat het huidige regime de innovatie feitelijk smoort.

Lange tijd is gedacht dat de gevolgen van een krachtige bescherming van het intellectuele eigendomsrecht voor het sociaal welzijn dubbelzinnig waren. De belofte van monopolistische rechten kan de innovatie bevorderen (hoewel de belangrijkste ontdekkingen, zoals die van DNA, doorgaans plaatsvinden binnen universiteiten en door de overheid gesponsorde onderzoekslaboratoria, en afhankelijk zijn van andere prikkels). Maar er zijn vaak ook serieuze maatschappelijke kosten: hogere prijzen voor de consument, het ontmoedigende effect van de verminderde toegang tot kennis op verdere innovatie, en – in het geval van levensreddende medicijnen – de dood voor iedereen die zich de innovatie niet kunnen veroorloven waardoor zij gered hadden kunnen worden.