4

De slechte methoden voor het meten van de armoede

ROME – Begin 2012 maakte de vertrekkende president van de Wereldbank Robert Zoellick bekend dat de Millennium Ontwikkelingsdoelstelling van het halveren van de mondiale armoede in verhouding tot het niveau van 1990 al in 2010 was bereikt – vijf jaar eerder dan beoogd. Maar veel analisten vechten de schattingen aan, gebaseerd als zij zijn op de huidige, door de Wereldbank gehanteerde armoedegrens, die in 2008 is opgetrokken van $1 naar $1,25 per dag, in termen van gelijke koopkracht (PPP).

De critici betogen dat de in deze termen geformuleerde armoedegrens om methodologische redenen een verkeerde voorstelling geeft van de aanwezigheid van armoede in de wereld. De drie rondes van het Internationale Vergelijkingsprogramma van de Wereldbank die tot nu toe zijn voltooid, hebben de armoedegrens bijvoorbeeld iedere keer anders gedefinieerd, waardoor de zwakte van de huidige maatstaf wordt benadrukt. Rekening houdend met de inflatie in de Verenigde Staten had de armoedegrens in feite al in 2005 moeten zijn opgetrokken naar $1,45 per dag.

Voor het verbeteren van de mondiale schattingen van de armoede – die van de Wereldbank strekken zich uit over drie decennia, vanaf 1981 – moeten drie belangrijke problemen worden overwonnen: ontoereikende onderzoeksgegevens, een slechte uitvoering van het onderzoek, en foutieve omzettingen in PPP-termen. Helaas is de Wereldbank in haar benadering deze kwesties uit de weg gegaan of heeft zij hen ontoereikend aangepakt.

In de eerste plaats missen veel landen voldoende gegevens waaruit blijkt hoe inkomen en consumptie over de burgers zijn verdeeld. De Wereldbank vermijdt dit probleem door ervan uit te gaan dat het armoedecijfer van ieder land dat zulke gegevens ontbeert overeenkomt met het gemiddelde van de regio. Maar deze benadering heeft ertoe geleid dat Noord-Korea hetzelfde armoedecijfer toegewezen heeft gekregen als China, ook al ontvangt het eerstgenoemde land regelmatig voedselhulp van het laatstgenoemde.