2

Het gaat langzaam beter met de euro

PARIJS – Een jaar geleden verkeerde de eurozone in ernstige problemen. Een reeks beleidsdaden – de oprichting van een noodfonds, het sluiten van een begrotingspact en de verstrekking van goedkope liquiditeit aan het banksysteem – was er niet in geslaagd voor langere tijd indruk te maken op de financiële markten. De crisis had zich van de periferie naar het centrum van de eurozone verplaatst. Zuid-Europa ervoer een uitverkoop van zijn staatsobligaties en een enorme terugtrekking van particulier kapitaal. Europa was in financiële zin uiteen aan het vallen. De speculatie over een mogelijke opsplitsing was wijdverbreid.

Toen kwamen er twee belangrijke initiatieven. In juni 2012 maakten de leiders van de eurozone hun intentie kenbaar om een Europese bankenunie op te richten. Ze zeiden dat de euro moest worden geschraagd door het toezicht op de banken uit te besteden aan een Europese autoriteit.

Voor de eerste keer sinds de uitbraak van de crisis in Griekenland werd officieel erkend dat de oorzaak van de problemen van de eurozone niet het in de wind slaan van de begrotingsregels was, en dat de principes die ten grondslag lagen aan de monetaire unie aan een herziening toe waren. Dat moest wel een ambitieuze onderneming zijn. In de ogen van de meeste waarnemers was voor het bereiken van de doelstelling van de leiders om “de vicieuze cirkel tussen banken en staten te doorbreken” een centraal gezag nodig voor het ontbinden en redden van banken.

Het tweede initiatief kwam een maand later. Sprekend op 26 juli maakte president Mario Draghi van de Europese Centrale Bank bekend dat de ECB bereid was te doen “wat nodig is” om de euro overeind te houden: “Geloof me”, zo zei hij, “het zal genoeg zijn”. De betekenis van deze woorden werd duidelijk met de daaropvolgende aankondiging door de ECB van het programma van “directe monetaire transacties” (de aankoop van staatsobligaties die zijn uitgegeven door landen die profiteren van de voorwaardelijke steun van het Europese noodfonds).