7

Hoe blijven we op koers in Oost-Europa?

STOCKHOLM – Nu de leiders van de Europese Unie in Riga bijeenkomen voor een top met de zes leden van het ‘Oostelijk Partnerschap’ van de EU, halen velen zich de dramatische ontmoeting van november 2013 in Vilnius voor de geest. Het was daar dat de toenmalige president van Oekraïne Viktor Janoekovitsj onder zware Russische druk weigerde de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne te ondertekenen, waar van 2007 tot 2012 over onderhandeld was.

Toen hij naar zijn land terugkeerde werd Janoekovitsj natuurlijk geconfronteerd met duizenden protestanten op het Maidan (=onafhankelijkheids-)plein in Kiev. Vastbesloten om hem aan zijn belofte te houden de EU-overeenkomst te ondertekenen en Oekraïne niet in douane-unie met Rusland op te laten nemen, mobiliseerden de protestanten het hele land. Janoekovitsj, die het niet lukte ze met zijn veiligheidstroepen te overlopen, sloeg simpelweg op de vlucht. Het Russische gedrag in Oekraïne sindsdien heeft het Oostelijke Partnerschap belangrijker dan ooit gemaakt.

Het Oostelijke partnerschap werd in 2009 gelanceerd op initiatief van Polen en Zweden, waar ik toen minister van Buitenlandse Zaken was. Het doel was tegemoet te komen op het verlangen van Armenië, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, Georgië, Moldavië, en Oekraïne naar een aantal van de middelen tot integratie die de Centraal-Europese en Baltische landen in de democratieën – en inmiddels leden van de EU - hadden getransformeerd die ze vandaag de dag zijn.

Het Oostelijke Partnerschap werd ook gezien als een manier om de ‘Russia first’ aanpak van de EU enig tegenwicht te bieden. Er waren gigantisch veel middelen gestoken in de relatie met Rusland, maar er was zeer weinig naar de landen in de regio gegaan die de EU en Rusland delen – inclusief de belangrijkste van deze buren, Oekraïne.