9

Europa's waardencrisis

NEW YORK – Xenofobie en extremisme zijn symptomen van samenlevingen die in een diepe crisis verkeren. In 2012 verwierf de extreem-rechtse Gouden Dageraad 21 zetels bij de Griekse parlementsverkiezingen, won de rechtse Jobbik-partij terrein in mijn geboorteland Hongarije en kon Marine le Pen van het Front National bogen op een flinke aanhang bij de presidentsverkiezingen in Frankrijk. De toenemende steun voor soortgelijke krachten in heel Europa leidt tot een onontkoombare conclusie: de aanhoudende financiële crisis op het continent veroorzaakt een waardencrisis die intussen het voortbestaan van de Europese Unie zelf bedreigt.

Toen zij nog slechts een droom was, vertegenwoordigde de Europese Unie een enorm aantrekkelijk idee dat bij veel mensen – waaronder ik – tot de verbeelding sprak. Ik beschouwde het als de belichaming van een open samenleving – een vrijwillige aaneensluiting van soevereine staten die bereid waren een deel van hun soevereiniteit op te geven voor het algemeen belang. Ze deelden een gemeenschappelijke geschiedenis, waarin de Franse Revolutie, met haar leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap, een blijvende erfenis had nagelaten. Voortbouwend op die traditie vormden de lidstaten een unie, gebaseerd op gelijkheid, die niet door één staat of nationaliteit werd overheerst.

De eurocrisis heeft van de Europese Unie nu iets heel anders gemaakt. In plaats van een vrijwillige associatie te zijn, wordt de eurozone bijeengehouden door strikte discipline; in plaats van een associatie van gelijken te zijn, is het een hiërarchische structuur geworden, waarin het centrum het beleid bepaalt, terwijl de periferie steeds meer wordt onderdrukt; in plaats van broederschap en solidariteit verspreiden de vijandige stereotypen zich snel.

Het integratieproces werd geleid door een kleine groep vooruitziende staatsmannen, die de beginselen van de open samenleving onderschreven en in de praktijk brachten wat Karl Popper 'zorgvuldige sociale techniek' heeft genoemd. Zij zagen in dat perfectie onbereikbaar is: daarom stelden zij zich beperkte doeleinden en stevige deadlines – en mobiliseerden zij vervolgens de politieke wil voor een kleine stap voorwaarts, wetende dat als zij die zouden volbrengen, de ontoereikendheid daarvan onmiddellijk duidelijk zou worden, zodat verdere stappen nodig zouden zijn. Dat is hoe de Europese Kolen- en Staalgemeenschap zich geleidelijk heeft ontwikkeld tot de EU.

Frankrijk en Duitsland zijn steeds de voortrekkers geweest bij deze inspanningen. Toen het Sovjet-rijk desintegreerde, begrepen de Duitse leiders dat een Duitse hereniging alleen mogelijk zou zijn in de context van een nauwer aaneengesloten Europa. Ze waren bereid aanzienlijke offers te brengen om dat voor elkaar te krijgen. Toen het op onderhandelen aankwam, waren de Duitsers bereid iets meer te geven en iets minder te nemen dan de anderen, zodat er makkelijker een akkoord kon worden bereikt.

Destijds betoogden Duitse staatsmannen dat Duitsland helemaal geen onafhankelijk buitenlands beleid had, maar louter een Europees beleid. Deze opstelling leidde tot een dramatische versnelling van de Europese integratie, culminerend in de aanvaarding van het Verdrag van Maastricht in 1992 en de invoering van de euro in 1999. Een periode van consolidatie (die in 2002 de invoering van euro-bankbiljetten en -munten omvatte) volgde.

Toen kwam de crisis van 2008, die zijn oorsprong had in de Verenigde Staten, maar in Europa grotere problemen veroorzaakte dan waar dan ook. Beleidsmakers reageerden op de ineenstorting van de zakenbank Lehman Brothers door bekend te maken dat geen enkele andere financiële instelling die belangrijk was voor het systeem failliet zou mogen gaan. Daardoor moesten er staatskredieten komen om de bevroren markten weer op gang te brengen.

Maar korte tijd later betoogde de Duitse bondskanselier Angela Merkel dat zulke waarborgen door iedere staat afzonderlijk moesten worden gegeven, en niet door Europa als geheel. Dat was het begin van de eurocrisis, omdat er een zwakte van de gemeenschappelijke munt door werd blootgelegd waarvan noch de autoriteiten noch de financiële markten zich bewust waren geweest – en die vandaag de dag nog steeds niet goed genoeg wordt onderkend.

Door de Europese Centrale Bank in het leven te roepen stelden de lidstaten hun eigen staatsobligaties bloot aan het risico van een bankroet. Ontwikkelde landen die in hun eigen munt obligaties uitgeven gaan nooit failliet, omdat ze altijd geld kunnen bijdrukken. Hun munt kan devalueren, maar het risico van een bankroet is afwezig.

Minder ontwikkelde landen die in buitenlandse munten lenen kunnen daarentegen door hun valutavoorraden heen raken. Toen Griekenland werd getroffen door een begrotingscrisis, ontdekte de financiële wereld plotseling dat de lidstaten van de eurozone zichzelf in de positie van ontwikkelingslanden hadden gemanoeuvreerd.

Er is een nauwe parallel tussen de eurocrisis en de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis van 1892, toen het Internationale Monetaire Fonds het internationale financiële stelsel heeft gered door precies genoeg geld te lenen aan de zwaar in de schulden stekende Latijns-Amerikaanse landen om hen in staat te stellen een bankroet te voorkomen. Maar het IMF legde deze landen strikte bezuinigingen op, zodat ze in een langdurige recessie terechtkwamen. Daardoor ging voor Latijns-Amerika een heel decennium verloren.

Vandaag de dag speelt Duitsland dezelfde rol als het IMF toen. De omstandigheden verschillen, maar het effect is hetzelfde. De eurocrisis heeft het financiële stelsel naar de rand van een bankroet gedreven. Dit kon slechts worden verijdeld door strikte bezuinigingsmaatregelen op te leggen en landen als Griekenland net genoeg geld te lenen om een faillissement te voorkomen.

Als gevolg daarvan is de eurozone verdeeld geraakt in crediteuren en debiteuren, waarbij de crediteuren de teugels van het economisch beleid in handen hebben. Er is een centrum, onder leiding van Duitsland, en een periferie, bestaande uit met zware schulden kampende landen. Het opleggen van strikte bezuinigingen aan de periferie door de crediteuren bestendigt de scheiding tussen centrum en periferie binnen de eurozone. De economische omstandigheden blijven verslechteren en veroorzaken heel veel menselijk leed. De onschuldige, gefrustreerde en boze slachtoffers van de bezuinigingen vormen een vruchtbare bodem voor haatzaaierij, xenofobie en allerlei vormen van extremisme.

Het beleid dat was bedoeld om het financiële stelsel en de euro te beschermen, verandert de EU op deze manier in het tegenovergestelde van een open samenleving. Er is een klaarblijkelijke tegenstelling tussen de financiële eisen van de euro en de politieke doeleinden van de EU. Aan de financiële eisen zou tegemoet kunnen worden gekomen door de regelingen te kopiëren die opgang deden in de wereldeconomie van de jaren tachtig en de eurozone te verdelen in een centrum en een periferie; maar dat zou niet verenigbaar zijn met de beginselen van een open samenleving.

Er zijn manieren waarop het beleid dat is gevoerd om de euro te beschermen kan worden gewijzigd zodat het aan de politieke doeleinden van de EU voldoet. De staatsobligaties van individuele landen zouden bijvoorbeeld kunnen worden vervangen door euro-obligaties ('eurobonds'). Maar zolang de tegenstelling blijft bestaan, zouden de politieke doeleinden voorrang moeten krijgen. Helaas is dit niet het geval. De financiële problemen zijn prangend – en monopoliseren de aandacht van de politici. De Europese leiders worden zó in beslag genomen door de crisis van de dag, dat ze geen tijd hebben om na te denken over de langetermijngevolgen van hun daden. Als gevolg daarvan blijven ze voortgaan op een weg die de scheiding tussen centrum en periferie in stand houdt.

Dit is zo'n afschuwelijk vooruitzicht dat we dat niet mogen laten gebeuren. Oorspronkelijk was de Europese Unie bedacht als een instrument van solidariteit en samenwerking. Vandaag de dag wordt ze bijeengehouden door een grimmige noodzaak. Dit is niet het Europa dat we willen of nodig hebben. We moeten deze ontoelaatbare transformatie zien te keren. We moeten een manier vinden om opnieuw tot de geest van solidariteit en de gedeelde waarden te komen die ooit de Europese verbeelding inspireerden.

Vertaling: Menno Grootveld