18

Het mysterie van de langdurige lage rente

CAMBRIDGE – Nu beleidsmakers en beleggers zich zorgen blijven maken over de risico's van de hedendaagse ultralage rente in de wereld, blijven academische economen redetwisten over de onderliggende oorzaken. Intussen aanvaardt vrijwel iedereen wel een of andere variant van de uitleg uit 2005 van Ben Bernanke, de huidige voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve, dat een “mondiaal spaaroverschot” aan de wortel ligt van het probleem. Maar economen verschillen van mening over de vraag waarom dat overschot er is, hoe lang het nog zal blijven bestaan en – het belangrijkste – of het wel goed is dat het er is.

De uitleg van Bernanke benadrukte diverse factoren – waarvan een aantal de vraag naar mondiale spaargelden drukten en andere het aanbod daarvan juist bevorderden. Hoe dan ook zou de rente moeten dalen om de mondiale obligatiemarkten weer in het reine te laten komen. Hij wees erop hoe de Aziatische financiële crisis van eind jaren negentig ervoor had gezorgd dat de enorme vraag naar geld voor investeringen in de regio instortte, terwijl de Aziatische regeringen er tegelijkertijd door werden aangezet om liquide middelen te gaan 'hamsteren', ter bescherming tegen een nieuwe crisis. Bernanke wees ook op de toegenomen oudedagsreserves in vergrijzende landen als Duitsland en Japan, en op de spaartegoeden van de olie-exporterende landen, met hun snel groeiende bevolking en hun zorgen over afnemende olie-inkomsten op de langere termijn.

Het monetair beleid was geen prominent onderdeel van de diagnose van Bernanke. Net als de meeste economen gelooft hij dat als de rente te lang kunstmatig laag wordt gehouden, de vraag uiteindelijk zal stijgen en de inflatie zal oplopen. Dus als de inflatie laag en stabiel is, kunnen de centrale banken niet de schuld krijgen van de lage langetermijnrente.

In feite heb ik het sterke vermoeden dat als je beleggers zou enquêteren, het monetair beleid bovenaan de lijst zou staan en niet geheel afwezig zou zijn als verklaring voor de lage mondiale langetermijnrente. Het feit dat zo veel beleggers dit idee hebben zou je tweemaal moeten doen nadenken voordat je het monetair beleid van iedere verantwoordelijkheid zou ontslaan. Toch deel ik het gevoel van Bernanke dat – ook al bepalen de centrale banken de kortetermijnrente – ze vrijwel geen invloed hebben op de reële, voor de inflatie gecorrigeerde langetermijnrente, anders dan een bescheiden effect via het beleid van het portefeuillebeheer (zoals “kwantitatieve versoepeling”).