20

Het irrelevante bezuinigingsdebat in Europa

BRUSSEL – Het meest zichtbare symptoom van de crisis in de eurozone bestaat uit de hoge en wisselende risicopremies die de periferielanden nu moeten betalen over hun staatsschulden. Bovendien duidt een invloedrijke verhandeling van de Amerikaanse economen Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff erop dat de economische groei scherp daalt als de staatsschuld van een land uitkomt boven de 90% van het bruto binnenlands product (bbp). Het beleidsvoorschrift voor het oplossen van de crisis lijkt dus simpel: bezuinigen. De begrotingstekorten moeten omlaag om het schuldenniveau te kunnen verlagen.

Maar het debat over de bezuinigingen en de kosten van de hoge staatsschulden gaat voorbij aan een belangrijk punt: de schulden aan het buitenland verschillen van de schulden aan de eigen inwoners. Buitenlanders kunnen niet stemmen voor hogere belastingen of lagere overheidsuitgaven om de schulden te kunnen aflossen. Bovendien leidt een hogere rente of risicopremie in het geval van binnenlandse schulden louter tot méér herverdeling in het land zelf (van de belastingbetalers naar de obligatiehouders). In het geval van schulden aan buitenlanders zal een hogere rente daarentegen leiden tot welvaartsverlies voor het land als geheel, omdat de overheid middelen aan het buitenland moet overdragen, waarvoor doorgaans een combinatie nodig is van een neerwaartse aanpassing van de wisselkoers en een verlaging van de binnenlandse bestedingen.

Dit onderscheid tussen buitenlandse en binnenlandse schulden is vooral belangrijk in de context van de eurocrisis, omdat de landen van de eurozone hun munt niet kunnen devalueren om de export te verhogen als dit nodig is om de buitenlandse schulden af te lossen. En alle bewijzen duiden erop dat de eurocrisis niet echt over staatsschulden gaat, maar over de schulden aan het buitenland.

Alleen de landen die vóór de crisis grote tekorten op hun betalingsbalans hadden, werden erdoor getroffen. Het geval van België is in dit verband bijzonder instructief, omdat de risicopremie op de Belgische staatsschuld gedurende het grootste deel van de eurocrisis bescheiden is gebleven, ook al is de schuldenlast in verhouding tot het bbp op zo'n 100% hoger dan het gemiddelde voor de eurozone, en heeft het land ruim een jaar lang geen regering gehad.