1

Het redden van de moeders van Azië

BANGKOK – Door al het gepraat over een nakende “Aziatische eeuw” zou je kunnen gaan denken dat de regio de gezondheidszorgproblemen van arme landen achter zich heeft gelaten, zoals een hoge moedersterfte. Maar de werkelijkheid is heel anders.

In 2015 zijn in de regio Azië-Pacific naar schatting 85.000 vrouwen overleden als gevolg van complicaties rond zwangerschap en bevalling – 28% van het mondiale totaal. Tot 90% van deze sterfgevallen, die in slechts twaalf landen waren geconcentreerd, had voorkomen kunnen worden door goede prenatale, verloskundige en postnatale zorg.

Bij ontstentenis van dergelijke zorg is het gemiddelde sterftecijfer onder moeders (MMR) in de regio Azië-Pacific buitengewoon hoog: 127 per 100.000 levend geborenen, vergeleken met het gemiddelde in ontwikkelde landen van twaalf op de 100.000. De twaalf landen met de hoogste MMRs, méér dan honderd sterfgevallen per 10.000 levend geborenen, zijn Afghanistan, Bangladesh, Cambodja, India, Indonesië, Laos, Myanmar, Nepal, Pakistan, Papoea Nieuw-Guinea, de Filippijnen, en Oost-Timor.

Deze landen namen in 2015 gezamenlijk 78.000 bekende gevallen van moedersterfte voor hun rekening. Het werkelijke cijfer is waarschijnlijk nog hoger. MMRs zijn notoir lastig om in te schatten, omdat conflicten, armoede, een slechte infrastructuur, zwakke gezondheidszorgsystemen en ontoereikende hulpbronnen ervoor zorgen dat veel sterfgevallen niet eens worden geregistreerd.

MMR-gegevens bieden echter een indicatie van algemene trends, en die beloven niet veel goeds. Als deze trends aanhouden, kunnen vóór 2030 alleen in deze twaalf landen honderdduizenden moeders het leven laten.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er de afgelopen vijftien jaar aanzienlijke vooruitgang is geboekt, en er pogingen in het werk worden gesteld om die vooruitgang te bestendigen. De ontwikkelingsagenda van de Verenigde Naties, ondersteund door de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (SDGs), mikt erop de MMR vóór 2030 terug te dringen naar zeventig sterfgevallen per 100.000 levendgeborenen. Als dat doel wordt gehaald, kunnen er in de regio Azië-Pacific wel honderdduizend levens worden gered.

Voor het bereiken van dat doel is snellere vooruitgang vereist, ook al zijn de jaarlijkse cijfers over het terugdringen van de MMR in Papoea Nieuw-Guinea en de Filippijnen bijzonder laag (2%). Op basis van de huidige trends zullen slechts vier van de twaalf bovengenoemde landen in de regio Azië-Pacific in staat zijn de SDG-doelstelling op het gebied van de moedersterfte te halen. De resterende acht landen zullen daar gemiddeld 26 jaar over doen.

maternal mortality rate

In een tijd dat het gezinsplanningsbeleid steeds restrictiever wordt, kan het versnellen van het tempo van de vooruitgang lastig blijken. In sommige landen dreigt de vooruitgang zelfs vertraging op te lopen.

Het Population Fund van de Verenigde Naties (UNFPA) werkt hard om deze trend tegen te gaan. We doen ons uiterste best om te garanderen dat alle zwangerschappen veilig en gewenst zijn, en dat alle vrouwen en meisjes de mogelijkheid krijgen om niet alleen hun eigen keuzes te maken qua gezin en lichaam, maar ook om meer bij te dragen aan de terugdringing van de armoede en de economische ontwikkeling.

In de twaalf bovengenoemde landen bepleit het UNFPA de ontwikkeling van ontvankelijke en inclusieve gezondheidszorgsystemen, met toereikende aantallen getraind personeel, van vroedvrouwen tot gemeenschapswerkers. En we zijn al bezig om die doelstelling te verwezenlijken.

In Afghanistan hebben het UNFPA en zijn partners de uitbreiding van de gemeenschapszorg ondersteund, inclusief de oprichting van tachtig huizen voor gezinshulp en negen mobiele ondersteuningsteams. Deze initiatieven hadden in 2015 ruim 420.000 mensen bereikt.

In Laos heeft het UNFPA het ministerie van Gezondheidszorg geholpen vroedvrouwen en dorpsvrijwilligers te trainen om fundamentele seksuele en voortplantingszorg te bieden, en de informatie ter beschikking te stellen die vrouwen nodig hebben om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. Dit heeft bijgedragen aan een flinke daling van de MMR, van 450 naar 220 per 100.000 levendgeborenen, tussen 2005 en 2015.

In Fiji heeft het UNFPA, met steun van de Australische regering, duizenden eerstehulppakketten voor onder meer de voortplantingszorg verspreid. Na de verwoestingen die in februari 2016 werden aangericht door de cycloon Winston helpen deze strategisch geplaatste voorraden bij de aanpak van de onmiddellijke behoeften van vrouwen en meisjes op het gebied van de voortplantingszorg, waardoor de levens van moeders en kinderen worden gespaard.

Maar hoewel dergelijke initiatieven al een krachtige impact hebben, moeten er meer middelen worden aangewend om te kunnen garanderen dat alomvattende gezondheidszorgdiensten voor iedereen verkrijgbaar en toegankelijk zijn, vooral voor de meest kwetsbare groepen. In het bijzonder moeten extra middelen ter beschikking worden gesteld voor diensten op het gebied van de seksuele en voortplantingszorg – en moet ervoor worden gezorgd dat die toegankelijk zijn. Het versterken van de terbeschikkingstelling van prenatale zorg, het verzekeren van veilige bevallingen door ervaren hulpverleners en het uitbreiden van de noodhulp bij bevallingen zijn allemaal belangrijke ingrepen die het aantal MMRs in de regio kunnen verminderen.

Uiteraard hebben vrouwen ook behoefte aan toegang tot gezinsplanningsdiensten, om hen te helpen ongewenste zwangerschappen te voorkomen en het aantal onveilige abortussen terug te dringen. De rechten van alle vrouwen en hun partners om de gezinsplanningsmethode te kiezen die geschikt is voor hen moeten worden gerespecteerd, en een complete reeks goede voorbehoedsmiddelen moet voor iedereen beschikbaar zijn.

Als vrouwen de volledige zeggenschap hebben over hun gezondheid op het gebied van seks en voortplanting, plukt de samenleving als geheel daar de vruchten van. Iedere dollar die in moderne voorbehoedsmiddelen wordt gestoken kan wel $120 aan sociaal, economisch en ecologisch rendement opleveren. Dergelijke investeringen zouden deels uit de internationale ontwikkelingshulp gefinancierd moeten worden, waarbij hogere prioriteit moet worden toegekend aan gezondheidszorg op seksueel en voortplantingsgebied, en deels uit bijdragen van nationale overheden.

Maar geld is niet alles wat overheden kunnen bieden. Zij kunnen en moeten beleid ontwikkelen, dat zich richt op de behoeften van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, inclusief beleid dat zich uitstrekt tot buiten de gezondheidszorg. Hiertoe behoort de strijd tegen schadelijke praktijken als kinderhuwelijken en op gender gebaseerd geweld; het verwijderen van alle wettelijke barrières voor voorbehoedmiddelen; en het samenwerken met gemeenschappen om misvattingen rond de seksuele en voortplantingszorg weg te nemen.

Veilige zwangerschappen en bevallingen zouden in alle samenlevingen een topprioriteit moeten zijn, zoals dat ook voor het UNFPA het geval is. Als we de SDG-doelstelling op het terrein van de moedersterfte willen verwezenlijken, moeten we samenwerken om gerichte, op maat gesneden interventies te bewerkstelligen die de rechten van vrouwen en meisjes respecteren om zelf te beslissen over hun gezondheid op seksueel en voortplantingsgebied.

Vertaling: Menno Grootveld