5

De vreemde kostgangers van het extremisme

FLORENCE – Tegenwoordig associëren we extreem-rechts met hevige islamofobie. Maar dit is niet altijd het geval geweest. In feite is er, met name in Europa, sprake van een diepgaande relatie tussen extreem-rechts en het islamistisch radicalisme, waarbij de aanhangers van beide stromingen een paar belangrijke karaktertrekken delen.

Deze betrekkingen zijn vaak heel openlijk geweest. Amin al-Husseini, tussen 1921 en 1937 de groot-moefti van Jeruzalem, onderhield nauwe relaties met de fascistische regimes van Italië  en Duitsland. Veel nazi's vonden na de Tweede Wereldoorlog een schuilplaats in het Midden-Oosten, en sommigen bekeerden zich zelfs tot de Islam. En Julius Evola, de reactionaire Italiaanse filosoof wiens werk het naoorlogse rechts-extremisme in Europa heeft geïnspireerd, heeft zelfs uitdrukkelijk het concept van de jihad en de daarmee gepaard gaande zelfopoffering omarmd.

Chicago Pollution

Climate Change in the Trumpocene Age

Bo Lidegaard argues that the US president-elect’s ability to derail global progress toward a green economy is more limited than many believe.

Na de terreuraanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten feliciteerden neo-nazi's in de VS en Europa de aanslagplegers. Een functionaris van de National Alliance, de meest vooraanstaande neonazistische groepering van Amerika, zei dat hij wilde dat zijn eigen leden “half zoveel ballen” hadden. In Frankrijk werden de aanslagen gevierd op het hoofdkwartier van het Front National, en Duitse neo-nazi's verbrandden Amerikaanse vlaggen. In Duitsland werd in 2003 de islamistische groepering Hizb ut-Tahrir verboden, deels vanwege haar contacten met extreem-rechts.

Gemeenschappelijke vijanden – de joden, de Amerikaanse regering, de vermeende “Nieuwe Wereldorde” – hebben dit onheilige politieke bondgenootschap geschraagd. Maar bij een nadere beschouwing van de ideologische en psychologische componenten ervan komen diepere verbanden aan het licht.

Anders dan de liberalen en aanhangers van links, propageren rechtse en islamistische ideologen een autoritair, hiërarchisch en dikwijls geritualiseerde visie op de sociale orde en het dagelijks leven. Zij beloven de samenleving te zullen zuiveren van de corruptie die haar heeft losgemaakt van haar glorieuze verleden. En zij geloven dat hun raciale of religieuze “suprematie” de onderwerping en zelfs het in slavernij brengen van anderen rechtvaardigt.

Volgens politieke psychologen gaan conservatieve, rechtse meningen vaak vergezeld van de neiging om overal een afkeer van te hebben, van een “behoefte aan beslotenheid” (een voorkeur voor orde, structuur en zekerheid), en een scherpe afbakening tussen “medestanders” en “buitenstaanders.” Hoewel zulke onderzoeken zich vooral richten op vreedzame individuen, zijn er aanwijzingen dat rechtse en islamistische extremisten deze persoonlijkheidstrekjes ook bezitten.

Laten we eens beginnen met de islamisten. Diverse jihadistische activisten vielen op door hun obsessie met reinheid. Faisal Shahzad, die bommen wilde leggen op Times Square in New York, hield zijn appartement in Bridgeport, Connecticut, minutieus schoon voordat hij zijn mislukte bomaanslag ondernam. Mohamed Atta, de belangrijkste vliegtuigkaper van 9/11, liet instructies na voor zijn begrafenis, waarin hij stipuleerde dat vrouwen zijn lichaam niet mochten naderen en dat de mannen die hem wasten zijn genitaliën alleen met handschoenen mochten aanraken.

Salafistische jihadisten geven hun levens vorm aan de hand van een letterlijke vertaling van de islamitische geschriften – een eenvoudige manier om hun “behoefte aan beslotenheid” te bevredigen. Wat de obsessie van het zich identificeren met “medestanders” aangaat, is er al-wala’ wal-bara, een kerndoctrine van het salafisme, die gelovigen opdracht geeft zich  te distantiëren van niet-gelovigen, waaronder onreine moslims.

De behoefte aan zekerheid strekt zich uit tot buiten de religie. Zoals we in ons boek Engineers of Jihad bespreken, heeft sinds de jaren zeventig een onevenredig groot aantal islamistische radicalen 'harde' technische studies gevolgd, in plaats van 'zachtere' richtingen die minder heldere antwoorden bieden. Zowel Shahzad als Umar Farouk Abdulmutallab, de Nigeriaanse “Ondergoedbommenlegger”, die probeerde op een vlucht in 2009 explosieven tot ontploffing te brengen, studeerde techniek. Van de 25 individuen die rechtstreeks betrokken waren bij de aanslagen van 9/11 waren er acht technici, waaronder de twee leiders, Atta en Khalid Sheik Mohammed.

Om vast te stellen of er iets systematisch gaande was, namen we de opleiding van ruim vierduizend extremisten in alle soorten en maten, van over de hele wereld, onder de loep. We kwamen erachter dat technici onder de islamistische radicalen die geboren en opgeleid zijn in moslimlanden zeventien maal vaker voorkomen dan onder de bevolking in het algemeen; het aandeel universitair opgeleiden onder de radicalen is vier maal zo groot.

Binnen de moslimwereld hebben meer technici de neiging zich bij radicale groeperingen aan te sluiten in landen waar de economische crisis de werkgelegenheid voor universitair opgeleiden ondermijnt. Het is vooral waarschijnlijk dat zij dat tijdens de aanvangsfase van zulke crises doen. Van alle universitair opgeleiden lijken technici (en in mindere mate artsen) het meest gefrustreerd door het gebrek aan mogelijkheden, waarin wellicht de ambitie en de opoffering worden weerspiegeld die nodig zijn voor deze disciplines.

Maar dat is niet het hele verhaal. Technici vormen ook een onevenredig groot deel van de islamistische radicalen die in het Westen zijn opgegroeid, waar de werkgelegenheidskansen groter zijn. Ze laten ook minder snel dan andere afgestudeerden het gewelddadige islamisme achter zich.

Cruciaal is dat radicale islamisten niet de enige groepering zijn met een onevenredig groot aandeel technici. Onder de radicale rechts-extremisten met een universitaire opleiding zijn technici eveneens oververtegenwoordigd. Intussen zijn er vrijwel geen technici onder radicaal-linkse groeperingen, waarvan het veel waarschijnlijker is dat ze studenten uit de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen aantrekken.

Uit analyses van peilingen onder elfduizend mannelijke afgestudeerden uit zeventien Europese landen bleek dat technici, afgezien van het feit dat ze politiek rechts waren, gemiddeld sterker dan andere afgestudeerden scoren op vrijwel alle maatstaven die verband houden met de neiging tot afkeer, de behoefte aan beslotenheid, en een sterke voorkeur voor het deel uitmaken van een groep. Deze trekken zijn veel zwakker onder de afgestudeerden in de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen.

Deze trekjes zijn ook zwakker onder vrouwen, die sterk vertegenwoordigd zijn bij radicaal links, terwijl ze vrijwel afwezig zijn onder zowel radicale islamisten als rechtse extremisten. De correlatie tussen psychologische trekken, academische disciplines en de aanwezigheid in verschillende radicale groeperingen is vrijwel volledig.

Fake news or real views Learn More

Uiteraard zullen de meeste mensen die technische vakken studeren of een sterke voorkeur aan de dag leggen voor orde niet radicaliseren, wat inhoudt dat deze factoren bij het opstellen van profielen niet altijd doelmatig kunnen worden ingezet. Maar een gedegen begrip van de psychologie van de radicalisering blijft wel belangrijk. Westerse en veel Arabische regeringen hebben honderden mensen in dienst die aspirant-radicalen van hun pad af moeten brengen, zonder dat ze een duidelijk inzicht hebben in de psychologische behoeften die door deze ideologieën worden gediend. Er moet nog veel onderzoek worden gedaan, maar het verkrijgen van een dergelijk inzicht kan helpen betere manieren te vinden om in deze behoeften te voorzien, vóór of na de radicalisering.

Vertaling: Menno Grootveld