2

Hoe arme landen voor de rekening van het vluchtelingenprobleem opdraaien

PARIJS – De Syrische vluchtelingencrisis heeft de aandacht gevestigd op de noodzaak het management van vluchtelingenstromen in tijden van crisis te verbeteren. Eén probleem is vooral zorgwekkend: de arme landen zouden wel eens een grote indirecte prijs kunnen betalen voor de inspanningen van de rijke landen.

Uit cijfers blijkt dat een substantieel deel van de kosten die samenhangen met de instroom van vluchtelingen en asielzoekers in sommige Europese landen wordt verdisconteerd als officiële ontwikkelingshulp (ODA) – de maatstaf die het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO gebruikt om de uitgaven aan internationale hulp bij te houden. Hierdoor blijft er minder ontwikkelingshulp over om economische ontwikkelingsprojecten te lanceren, in stand te houden of uit te breiden in de arme landen.

In 2015 hebben de lidstaten van de DAC, die ook lid zijn van de Europese Unie, $9,7 mrd van hun ontwikkelingshulpbudgetten uitgegeven aan ongeveer 1,2 miljoen asielzoekers in hun eigen landen. In vergelijking daarmee gaven ze $3,2 mrd aan ontwikkelingshulp uit in Syrië, Afghanistan, Somalië, Zuid-Soedan en Soedan – de vijf belangrijkste landen waar deze asielzoekers vandaan kwamen.

De regel die donoren in staat stelde zogenoemde “in-donor”-kosten voor vluchtelingen als ontwikkelingshulp te rapporteren werd in 1988 in de Statistical Reporting Directives van de OECD-DAC geïntroduceerd. In eerste instantie deden weinig DAC-donoren er hun voordeel mee. Maar tussen 2010 en 2015 verdrievoudigde het aandeel van de totale uitgaven aan ontwikkelingshulp die als in-donor-kosten werden gemeld ruimschoots, van 2,7% naar 9,1%.

De DAC werkt eraan helderder regels op te stellen voor het gebruik van ontwikkelingshulp ter dekking van de in-donor-kosten van vluchtelingen. Er is een Temporary Working Group on Refugees and Migration opgericht om te helpen bepalen of donoren hun hulp op de juiste manier richting geven, en op het juiste moment inzetten. Wij verwachten de resultaten van dit werk rond juli bekend te kunnen maken.

De wereldwijde aandacht die de Syrische crisis heeft gevestigd op de vluchtelingenstromen en bijkomende humanitaire behoeften is een positieve ontwikkeling. Toch vormen de Syriërs slechts een klein deel van de ruim 21 miljoen mensen in de hele wereld die te boek staan als “vluchtelingen” bij het United Nations Refugee Agency (de UNHCR categoriseert ruim 65 miljoen mensen als “gedwongen ontheemd”). En hoewel de schijnwerpers vandaag de dag gericht zijn op asielzoekers in Europa, verblijven de meeste vluchtelingen – ruim 86% – in de ontwikkelingslanden – dichtbij de landen die ze zijn ontvlucht. Oeganda heeft bijvoorbeeld in 2016 meer vluchtellingen uit Zuid-Soedan opgenomen dan het totale aantal migranten dat in dezelfde periode de Middellandse Zee naar Europa is overgestoken.

Iedere dag zien 40.000 mensen zich gedwongen te vluchten voor conflicten en vervolging. Nóg veel meer mensen verlaten hun huizen op zoek naar een veilige en waardige toekomst. Een steeds groter aantal van deze mensen is al twintig jaar of langer ontheemd. En velen blijven ontheemd in hun eigen land achter, levend in extreme onzekerheid en armoede.

Het is inhumaan om aan de kant te blijven staan als anderen in angst leven. Toch zien landen als Oeganda, die tientallen jaren honderdduizenden vluchtelingen hebben gehuisvest, dat de beginselen van tolerantie en bescherming die zij overeind houden, in het mondiale noorden steeds meer worden ondermijnd. Rijke landen proberen begrijpelijkerwijs hun eigen vluchtelingpopulaties te managen en hun eigen burgers gerust te stellen. Toch is het recht op asiel universeel en mag ontwikkelingssamenwerking onder geen beding worden gebruikt voor doeleinden van indamming.

De vluchtelingenproblemen zijn niet nieuw. De bovenste vijf landen van herkomst hebben de afgelopen vijfentwintig jaar bijna 10,2 miljoen vluchtelingen gegenereerd. De aantallen zijn verbijsterend, maar de uitdaging die zij vertegenwoordigen is geenszins onoverbrugbaar. Ontwikkelingshulp kan ertoe bijdragen de sociaal-economische dimensies van ontheemding op de langere termijn aan te pakken, door te helpen ervoor te zorgen dat vluchtelingen worden opgenomen in nationale en lokale ontwikkelingsplannen. Ontwikkelingshulp kan de grondoorzaken aanpakken van gedwongen ontheemding door de inspanningen te richten op het verminderen van armoede en ongelijkheid, het bevorderen van de vrede, en het verbeteren van de toegang tot gerechtigheid. De tijdelijke werkgroep van de OESO zal proberen betere oplossingen voor vluchtelingen te benoemen en te bewerkstelligen.

De omstandigheden waarmee gedwongen migranten vandaag de dag worden geconfronteerd staan in sterk contrast met internationale verplichtingen als de Sustainable Development Goals (Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen), die ernaar streven “niemand in de steek te laten.” Als het niet lukt deze kwesties aan te pakken, vormt dat ook een gevaar voor de internationale solidariteit die ten grondslag ligt aan de mondiale ontwikkelingsagenda.

Ontwikkelde en ontwikkelingslanden moeten samenwerken. Ze mogen geen dubbelzinnigheid laten bestaan over het recht om asiel te zoeken en over de verantwoordelijkheid om diegenen te beschermen die dat recht willen of moeten uitoefenen. We moeten ervoor zorgen dat “nieuwe” financiering extra geld betekent, in plaats van het elders heensluizen van bestaande fondsen. En bovenal moeten vluchtelingenprogramma's – inclusief de antwoorden binnen onze eigen grenzen – de mensenrechten respecteren.

Vertaling: Menno Grootveld