4

Kennis is een voorwaarde voor vooruitgang

LONDEN – Zo'n 236 jaar geleden brak een jonge gouverneur van de Amerikaanse staat Virginia een lans voor onderwijshervorming. In zijn Bill for the More General Diffusion of Knowledge (Wetsontwerp voor een Meer Algemene Verspreiding van Kennis)riep ThomasJefferson op tot de invoering van “een systeem van algemeen onderricht” dat alle burgers zou bereiken, “van de rijkste tot de armste.” Het was de eerste stap op weg naar de inrichting van het Amerikaanse systeem van openbaar onderwijs – een instelling die het land heeft geholpen haar vooraanstaande positie in de wereld te veroveren.

Aan het begin van de twintigste eeuw waren de Verenigde Staten een wereldleider op het gebied van het openbaar onderwijs. Investeringen in onderwijs waren een katalysator voor economische groei, het scheppen van banen en grotere sociale mobiliteit. Claudia Goldin en Lawrence Katz hebben aangetoond dat het Amerikaanse “exceptionalisme” op het gebied van onderwijs het land in staat heeft gesteld een beslissende voorsprong te nemen op Europese landen die te weinig in menselijk kapitaal hadden geïnvesteerd.

Erdogan

Whither Turkey?

Sinan Ülgen engages the views of Carl Bildt, Dani Rodrik, Marietje Schaake, and others on the future of one of the world’s most strategically important countries in the aftermath of July’s failed coup.

Nu de wereldleiders deze week bijeenkomen voor de Oslo Summit on Education for Development (Oslo-top over Onderwijs voor Ontwikkeling), zijn de lessen die uit deze ervaring getrokken kunnen nog steeds zeer relevant. Omdat de wereldeconomie een kenniseconomie wordt, zijn het opleidingsniveau en de vaardigheden van de bevolking van een land belangrijker dan ooit bij het veiligstellen van de toekomst. Landen die er niet in slagen een zo groot mogelijk deel van hun bevolking onderwijs te laten volgen worden geconfronteerd met het vooruitzicht van trage groei, stijgende ongelijkheid en verloren gegane kansen in de wereldhandel.

In deze context klinkt een deel van de hedendaagse discussies over onderwijs merkwaardig anachronistisch. Harvard-econoom Ricardo Hausmann heeft degenen die volgens hem voortdurend “onderwijs, onderwijs, onderwijs” roepen onlangs de les gelezen, omdat zij onderwijs als de enige werkbare groeistrategie zouden zien. Het was een indrukwekkende aanval op een standpunt dat naar mijn stellige overtuiging niemand inneemt.

Onderwijs is uiteraard geen garantie voor groei. In landen waar institutioneel onvermogen, slecht bestuur en macro-economisch wanbeheer investeringen in de weg zitten, is het uitbreiden van het onderwijs een recept voor lage productiviteit en hoge werkloosheid. In Noord-Afrika heeft de onbalans tussen het onderwijssysteem en de banenmarkt jonge, goed opgeleide mensen het uitzicht op goede kansen ontnomen – een situatie die heeft bijgedragen aan de revoluties van de Arabische Lente.

Niets hiervan doet afbreuk aan de vitale rol die educatie – niet slechts een paar jaar onderwijs, maar echt leren – speelt als een cruciale component van de groei. Uitgebreid onderzoek – uiteenlopend van het werk van Adam Smith tot dat van Robert Solow en Gary Becker, en recenter, dat van Eric Hanushek – bevestigt het belang van leren bij het opbouwen van productief menselijk kapitaal. Eén trede omhoog op de ladder van het Program for International Student Assessment (Programma voor de Internationale Beoordeling van Studenten) van de OESO wordt in verband gebracht met een stijging van het groeicijfer per hoofd van de bevolking van een land met 2% op de langere termijn.

Onderwijs is misschien geen snelle oplossing voor een trage groei. Maar probeer maar eens een land te noemen dat een duurzame economische transformatie wist te bewerkstelligen zonder vooruitgang op onderwijskundig gebied.

Economen bij de Wereldbank hebben een paar van hun eigen stromannen ingezet in het onderwijsdebat. In één zo'n bijdrage kritiseert Shanta Devarajan het idee dat onderwijs een essentieel publiek goed zou zijn dat regeringen moeten financieren en verzorgen. Hij betoogt dat het juist als een particulier goed moet worden gezien, dat via de markten – tegen betaling  - aan de klanten – ouders en kinderen – moet worden geleverd.

Het probleem is dat onderwijs vanzelfsprekend géén publiek goed is – in de echte wereld zijn weinig dingen dat. Het is echter wel een “waardegoed”, iets wat overheden gratis moeten aanbieden, vanwege de brede particuliere en sociale rendementen die verloren zouden kunnen gaan als ouders onderinvesteren of als de armen worden buitengesloten. Vooruitgang op het gebied van onderwijs – vooral dat voor meisjes – leidt onmiddellijk tot verbeteringen op het gebied van de kindersterfte en de voeding, en van de gezondheidstoestand van de moeder,  maar ook tot hogere lonen.

Het is tijd om de futiele discussies, gebaseerd op gebrekkige logica, achter ons te laten en ons te concentreren op de werkelijke problemen van het onderwijs – problemen die moeten worden aangepakt als we het Sustainable Development Goal (Duurzame Ontwikkelingsdoelstelling) van het voor iedereen verzorgen van basis- en voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit in 2030 willen halen. De Oslo-top is een goede kans om een basis voor succes te leggen. Nu er 59 miljoen basisschoolkinderen en 65 miljoen middelbare scholieren zijn die niet meer naar school gaan, zou deze kans met beide handen moeten worden aangegrepen.

Een succesvolle top zou vier belangrijke zaken bewerkstelligen. In de eerste plaats moeten regeringen meer binnenlandse middelen voor onderwijs ter beschikking stellen. Een achtergronddocument voor de top benadrukt het onvermogen van de opeenvolgende regeringen in Pakistan, het land met het op één na hoogste percentage ongeschoolden, om in onderwijs te investeren. De kern van het probleem bestaat uit politici die meer interesse hebben voor het faciliteren van belastingontduiking door de rijken dan in het verbeteren van de onderwijsmogelijkheden voor de armen.

In de tweede plaats moeten de internationale donoren de neerwaartse trend in de hulp voor onderwijs ombuigen. Zelfs met uitgebreide inspanningen om middelen te mobiliseren zal grofweg $22 mrd aan jaarlijkse hulp nodig zijn om universeel lager middelbaar onderwijs te kunnen garanderen. Dat is zo'n vijf maal het huidige niveau. Naast van het dichten van deze kloof heeft Speciaal Afgevaardigde voor Onderwijs van de Verenigde Naties, Gordon Brown, terecht gepleit voor financieringsmechanismen om onderwijs te kunnen aanbieden aan kinderen die het slachtoffer zijn geworden van conflicten en humanitaire rampen.

In de derde plaats moeten de wereldleiders ernst maken met de strijd tegen ongelijkheid. Iedere regering moet zich doelen stellen, expliciet gericht op het terugdringen van de ongelijkheid in onderwijsmogelijkheden – die verband houden met geslacht, rijkdom en de scheiding tussen stad en platteland – en de begroting in overeenstemming brengen met deze doelen. Zoals het er nu voorstaat zijn de verschillen groot. In Nigeria genieten jongens uit de stad, afkomstig uit de rijkste 20 procent van de bevolking, gemiddeld tien jaar onderwijs, terwijl arme meisjes van het platteland in noordelijke gebieden naar verwachting nog geen twee jaar op school zullen zitten. Maar uit een ander achtergronddocument van de Oslo-top blijkt dat de onderwijsfinanciering in de meeste landen vooral de rijkeren bereikt.

Tenslotte moeten overheden en hulpdiensten op de markt gebaseerde experimenten achterwege laten en zich toeleggen op echte systeembrede hervormingen. Eén van de belangrijkste prioriteiten is de opleiding van goede leraren, die sterke prikkels, effectieve training en betrouwbare ondersteuningsmechanismen nodig hebben. De kwaliteit van de docenten bepaalt immers de kwaliteit van het onderwijs.

Support Project Syndicate’s mission

Project Syndicate needs your help to provide readers everywhere equal access to the ideas and debates shaping their lives.

Learn more

Terwijl de wereldleiders in Oslo bijeenkomen hebben miljoenen ouders moeite ervoor te zorgen dat hun kinderen het onderwijs krijgen dat ze verdienen – onderwijs dat ze in staat stelt betere levens op te bouwen voor zichzelf en hun families. Voor die ouders is onderwijs een bron van hoop. We zijn het hen en hun kinderen verschuldigd ons uiterste best te doen.

Vertaling: Menno Grootveld