12

De moordmachine van het Kremlin

NEW YORK – In zijn toneelstuk Murder in the Cathedral beschrijft T. S. Eliot de moord op Thomas Becket, de aartsbisschop van Canterbury, als een stilzwijgend bestelde aanslag. De Britse koning, Henry II, hoefde geen rechtstreeks bevel te geven; zijn ridders wisten wel wat ze moesten doen met iemand waarvan werd gedacht dat hij de staat ondermijnde.

Eliot mag zijn toneelstuk in het twaalfde-eeuwse Engeland hebben gesitueerd, hij schreef het in 1935, nauwelijks twee jaar nadat Adolf Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen. Het is dus op z'n minst voor een deel een waarschuwing voor de opkomst van het fascisme in Europa. Helaas heeft het stuk niets van zijn relevantie verloren. Vandaag de dag kan het meesterwerk van Eliot worden geïnterpreteerd als een waarschuwing voor het pad dat is ingeslagen door Rusland, waar het beleid onder president Vladimir Poetin steeds middeleeuwser is geworden.

Eén voor één zijn de critici van Poetin geëlimineerd. In 2006 werd de journaliste Anna Politkovskaja neergeschoten in een lift, en stierf Alexander Litvinenko, een voormalige KGB-agent die kritiek had geleverd op Poetin, aan een poloniumvergiftiging tijdens zijn ballingschap in Londen. In 2009 overleed Sergej Magnitski, een jurist die campagne voerde tegen de corruptie, in de gevangenis nadat hem medische zorg was geweigerd voor een levensbedreigende aandoening. In hetzelfde jaar werd een andere jurist en voorvechter van de mensenrechten, Stanislaw Markelov, neergeschoten na een persconferentie.

De moord afgelopen weekeinde op Boris Nemtsov, een leidende oppositiepoliticus en een vroegere vice-premier onder Boris Jeltsin, mag dus geen verrassing zijn. De moord zou wel tot een schok moeten leiden en als alarmsignaal moeten fungeren voor al die Russen die tot nu toe een cultuur van wetteloosheid en straffeloosheid hebben getolereerd, zoals die in Rusland niet meer is voorgekomen sinds de donkerste dagen van de persoonlijke heerschappij van Stalin in de Sovjet-Unie.