28

Opkomen voor Europa

BRUSSEL – De hedendaagse Europese Unie moet zowel gered als opnieuw uitgevonden worden. Het redden van de EU moet voorrang krijgen, want Europa verkeert in levensgevaar. Maar zoals de Franse president Emmanuel Macron heeft benadrukt tijdens zijn verkiezingscampagne, is het nieuw leven inblazen van de steun die de EU ooit genoot niet minder belangrijk.

De existentiële dreigingen waarmee de EU wordt geconfronteerd zijn deels van externe herkomst. De Unie wordt omringd door machten die vijandig staan tegenover haar beginselen – het Rusland van Vladimir Poetin, het Turkije van Recep Tayyip Erdoğan, het Egypte van Abdel Fattah el-Sisi en het Amerika dat Donald Trump zou willen scheppen als hij dat zou kunnen.

Maar de dreigingen komen ook van binnenuit. De EU wordt geregeerd door verdragen die, na de financiële crisis van 2008, grotendeels irrelevant zijn geworden voor de omstandigheden die zich in de eurozone voordoen. Zelfs de eenvoudigste innovaties, die nodig waren om de eenheidsmunt duurzaam te maken, konden alleen maar worden ingevoerd via intergouvernementele arrangementen, buiten de bestaande verdragen om. En toen het functioneren van de Europese instellingen steeds gecompliceerder werd, werd de EU zelf op bepaalde manieren geleidelijk aan disfunctioneel.

De eurozone in het bijzonder werd precies het tegenovergestelde van wat oorspronkelijk was bedoeld. De EU was bedoeld als een vrijwillige associatie van gelijkgestemde staten die bereid waren een deel van hun soevereiniteit af te staan voor het algemeen belang. Na de financiële crisis van 2008 veranderde de eurozone in een arrangement, waarbij crediteurenstaten voorwaarden oplegden aan debiteurenlanden die hun verplichtingen niet konden nakomen. Door bezuinigingen te prediken maakten de crediteuren het voor de debiteuren praktisch onmogelijk zich een weg te banen uit hun verplichtingen.

Als de EU de zaken zo laat voortgaan, is er weinig hoop op verbetering. Dat is de reden dat de Unie radicaal opnieuw moet worden uitgevonden. De top-down benadering die Jean Monnet heeft gebruikt om de Europese integratie in de jaren vijftig op gang te brengen, heeft het proces ver gebracht, voordat het momentum verloor. Nu heeft Europa behoefte aan een collaboratieve inspanning die de top-down aanpak van de EU-instellingen combineert met de bottom-up initiatieven die nodig zijn om het electoraat in beweging te brengen.

Neem de Brexit, die beslist enorm veel schade zal toebrengen aan beide partijen. De onderhandelingen over een scheiding met Groot-Brittannië zullen de aandacht van de EU afleiden van haar eigen existentiële crisis, en de besprekingen zullen zeker langer duren dan de twee jaar die ervoor is uitgetrokken. Vijf jaar lijkt waarschijnlijker – een eeuwigheid in de politiek, vooral in revolutionaire tijden als de huidige.

De EU moet de Brexit-onderhandelingen daarom in een constructieve geest tegemoet treden, waarbij de onvoorspelbaarheid van de toekomst onder ogen wordt gezien. Tijdens de verlengde “scheidingsprocedure” kan het Britse publiek nog steeds besluiten dat deel uitmaken van de EU aantrekkelijker is dan het verlaten ervan. Maar dit scenario veronderstelt dat de EU zichzelf verandert in een organisatie waar andere landen zoals Groot-Brittannië deel van willen uitmaken, en dat de mensen aan weerszijden van het Kanaal hun mening herzien.

De kansen dat aan beide voorwaarden zal worden voldaan zijn klein, maar niet geheel afwezig. Er is EU-brede erkenning voor nodig dat de Brexit een stap is in de richting van Europese desintegratie – en daarom een 'lose-lose'-propositie is. Het opnieuw aantrekkelijk maken van de EU zou mensen, en met name de jongere generaties, hoop geven op een betere toekomst.

Zo'n Europa zou in twee belangrijke opzichten verschillen van het huidige arrangement. In de eerste plaats zou er een duidelijk verschil zijn tussen de EU en de eurozone. In de tweede plaats zou erkend worden dat de eurozone wordt geregeerd door achterhaalde verdragen, en dat het bestuur ervan niet kan worden veranderd omdat verdragswijziging onmogelijk is.

De verdragen stipuleren dat van alle lidstaten wordt verwacht dat zij tot de euro toetreden als en wanneer zij daarvoor in aanmerking komen. Dit heeft tot de absurde situatie geleid dat landen als Zweden, Polen en de Tsjechische Republiek hebben duidelijk gemaakt niet van plan te zijn zich bij de euro aan te sluiten, maar toch nog steeds worden beschreven en behandeld als “kandidaat-lidstaten.”

Het effect is niet louter kosmetisch. De EU is een organisatie geworden waarvan de eurozone de binnenkern vormt, terwijl de overige leden naar een inferieure positie worden verwezen. Dit moet veranderen. De vele onopgeloste problemen van de euro mogen de EU niet vernietigen.

Het onvermogen om de relatie tussen de euro en de EU te verhelderen weerspiegelt een bredere tekortkoming: de veronderstelling dat diverse lidstaten zich met verschillende snelheden voortbewegen, maar altijd in de richting van dezelfde eindbestemming. In feite heeft een groeiend deel van de lidstaten de claim van een “steeds nauwere unie” echter expliciet afgewezen.

Het vervangen van een “multi-speed” Europa door een “multi-track” Europa, dat lidstaten een bredere verscheidenheid aan democratische keuzes laat, zou een zeer weldadig effect hebben. Zoals het er nu voor staat, willen de lidstaten hun soevereiniteit opnieuw bevestigen, in plaats van er nóg meer van te moeten afstaan. Maar als samenwerking positieve resultaten oplevert, zou de receptie onder de burgers kunnen verbeteren en zouden de doelstellingen die worden nagestreefd door coalities van bereidwilligen uiteindelijk wel eens door vrijwel iedereen kunnen worden omarmd.

Betekenisvolle vooruitgang is onmisbaar op drie terreinen: territoriale desintegratie, waar de Brexit model voor staat; de vluchtelingencrisis; en het gebrek aan adequate economische groei. Op al deze drie terreinen begint Europa vanuit een laag niveau van samenwerking.

Dit geldt in het bijzonder voor de vluchtelingencrisis, en de trend is neerwaarts. Europa ontbeert nog steeds een alomvattend, samenhangend migratiebeleid. Ieder land streeft wat het als zijn eigen belangen ziet na, en werkt als gevolg daarvan vaak de belangen van andere lidstaten tegen. De Duitse bondskanselier Angela Merkel had gelijk: de vluchtelingencrisis kan de EU vernietigen. Maar we mogen niet opgeven. Als Europa betekenisvolle vooruitgang kan bereiken op het gebied van het verlichten van de vluchtelingencrisis, zou het momentum een positieve wending kunnen nemen.

Ik hecht veel belang aan momentum. Zelfs al vóór de verkiezing van Macron kon je zich een momentum zien ontwikkelen dat het top-down politieke proces van de EU ten goede zou kunnen veranderen. Dat begon met het overtuigende verlies van de Nederlandse nationalist Geert Wilders bij de parlementsverkiezingen in maart. En nu Macron, de enige pro-Europese kandidaat, president van Frankrijk is geworden, heb ik veel meer vertrouwen in de uitkomst van de Duitse verkiezingen in september. Daar kunnen veel combinaties leiden tot een pro-Europese coalitie, vooral als de steun voor het anti-Europese en xenofobe Alternative für Deutschland blijft afnemen. Dit toenemende pro-Europese momentum kan dan krachtig genoeg zijn om de grootste dreiging het hoofd te bieden: een banken- en migratiecrisis in Italië.

Ik voel mij ook gesteund door de spontane grassroots-initiatieven – van grotendeels jonge mensen – die we vandaag de dag zien. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de beweging “Pulse of Europe,” die in november in Frankfurt is ontstaan en zich naar zo'n 120 steden over het hele continent heeft verspreid; aan de “Best for Britain”-beweging in Groot-Brittannië; en aan het verzet tegen de regerende Recht en Rechtvaardigheidspartij in Polen, en tegen de Fidesz-partij van premier Viktor Orbán in Hongarije.

Het verzet in Hongarije moet voor Orbán net zo verrassend zijn als voor mij. Orbán heeft geprobeerd zijn beleid te “framen” als een persoonlijk conflict met mij, door van mij het doelwit te maken van een meedogenloze propaganda-campagne van zijn regering. Hij werpt zichzelf op als de verdediger van de Hongaarse soevereiniteit, en schildert mij af als de valutaspeculant die zijn geld gebruikt om Europa te overspoelen met vluchtelingen als onderdeel van een of ander vaag maar misdadig complot.

Maar de waarheid is dat ik de trotse oprichter ben van de Midden-Europese Universiteit (CEU), die – na 26 jaar – tot de beste vijftig universiteiten ter wereld behoort op het gebied van veel sociale wetenschappen. Door de CEU te financieren heb ik haar in staat gesteld haar academische vrijheid te verdedigen tegen inmenging van buitenaf, of die nu afkomstig is van de Hongaarse regering of van iets of iemand anders (inclusief de oprichter).

Ik heb twee lessen uit deze ervaring getrokken. In de eerste plaats is het niet genoeg om op de rechtsstaat te vertrouwen als je open samenlevingen wilt verdedigen; je moet ook opkomen voor waar je in gelooft. De CEU en de begunstigden van mijn stichting doen dat. Hun lot blijft onbeslist. Maar ik heb er alle vertrouwen in dat hun vastberaden verdediging van de academische vrijheid en de vrijheid van vereniging en vergadering uiteindelijk de traag bewegende wielen van het recht in Europa in beweging zullen zetten.

In de tweede plaats heb ik geleerd dat democratie niet van buitenaf kan worden opgelegd; die moet worden bewerkstelligd en verdedigd door de mensen zelf. Ik bewonder de moedige wijze waarop de Hongaren zich hebben verzet tegen de deceptie en corruptie van de maffiastaat die Orbán heeft geschapen, en ik voel me gesterkt door het energieke antwoord van de Europese instellingen op de uitdagingen die door Polen en Hongarije worden belichaamd. Hoewel de weg vooruit gevaarlijk is, kan ik in dergelijke bewegingen duidelijk het perspectief van de wederopleving van de EU ontwaren.

Vertaling: Menno Grootveld