People shop at an Ikea home furnishing store Spencer Platt/Getty Images

Waarom de lage inflatie geen verrassing is

BERKELEY – Het feit dat de inflatie in het mondiale noorden hardnekkig laag is gebleven heeft veel economische waarnemers verbaasd. In september schreef de altijd scherpe en bedachtzame Nouriel Roubini van de Universiteit van New York deze trend toe aan positieve schokken aan de aanbodzijde van de economie – wat betekent dat het aanbod van bepaalde goederen was gestegen, waardoor de prijzen omlaag gegaan waren.

The Year Ahead 2018

The world’s leading thinkers and policymakers examine what’s come apart in the past year, and anticipate what will define the year ahead.

Order now

Als gevolg daarvan is, aldus Roubini, “de kerninflatie gedaald,” ook al had mogen worden verwacht dat de recente groeiversnelling in de geavanceerde economieën een stijging van de inflatie met zich zou meebrengen.” Intussen heeft de US Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) “zijn besluit om de rente te gaan normaliseren, ondanks een kerninflatie die lager is dan de doelstelling, gerechtvaardigd met het betoog dat de inflatie-verzwakkende aanbodzijde-schokken van tijdelijke aard zijn.” Roubini concludeert: “Ook al zijn de centrale banken niet bereid hun formele inflatiedoelstelling van 2% aan de wilgen te hangen, zij zijn bereid de tijdlijn voor het bereiken daarvan te verlengen.”

In mijn optiek zal het interpreteren van de hedendaagse lage inflatie als een symptoom van tijdelijke aanbodzijde-schokken waarschijnlijk een vergissing blijken te zijn. Deze diagnose lijkt het historische bewijsmateriaal uit de periode tussen begin jaren zeventig en eind jaren negentig verkeerd te lezen, en is dus gebaseerd op een fundamenteel verkeerde veronderstelling over de voornaamste drijvende kracht achter de inflatie in het mondiale noorden sinds de Tweede Wereldoorlog.

Sinds de jaren zeventig hebben economen vrijwel over de hele linie vastgehouden aan het geloof dat de zogenoemde Phillips-curve een aanzienlijke helling heeft, wat inhoudt dat de prijzen sterk reageren op veranderingen in de vraag. Volgens deze inzichten zullen betrekkelijk kleine stijgingen van de totale vraag tot boven het niveau dat overeenkomt met volledige werkgelegenheid een substantiële invloed uitoefenen, niet alleen op de inflatie, maar ook op de inflatieverwachtingen. Een periode van snel stijgende inflatie in het recente verleden zal mensen ertoe aanzetten te geloven dat de inflatie in de toekomst ook zal toenemen.

Ruim twintig jaar geleden schreef ik een paper met de titel “America’s Only Peacetime Inflation: The 1970s” (“Amerika's Enige Inflatie in Vredestijd: De Jaren '70”), waarin ik deze  veronderstelling aanvocht. Ik toonde aan dat toen deze nu algemeen aangehangen visie op de inflatie in de jaren zeventig werd ontwikkeld, stijgingen van de totale vraag tot boven het niveau dat overeenkwam met volledige werkgelegenheid feitelijk weinig voorkwamen, en kortstondig en klein waren, en dat eerdere inflatiesprongen niet heel snel in de toekomstige inflatieverwachtingen waren geïncorporeerd, maar slechts geleidelijk.

In feite heeft het drie grote, negatieve schokken aan de aanbodzijde gekost om ervoor te zorgen dat de verwachtingen zich gingen aanpassen. Behalve de Jom Kippoer Oorlog van 1973 en de Iraanse Revolutie van 1979 was dat de beginnende vertraging van productiviteitsgroei, in een tijd dat de vakbonden nog steeds aanzienlijke invloed hadden op de loonontwikkeling, en eerder overeengekomen loonsverhogingen al in de arbeidscontracten van de werknemers waren verwerkt.

Ondanks deze schokken aarzelden de centrale bankiers, en met name de toenmalige Fed-voorzitter Arthur F. Burns, om zich in te zetten voor het bereiken van prijsstabiliteit. In plaats daarvan besloot Burns, begrijpelijkerwijs bezorgd dat het bestrijden van de inflatie een diepe recessie met zich zou kunnen meebrengen, het probleem voor zich uit te schuiven. En zoals we nu weten, was dat de opmaat voor 1979, toen Paul Volcker Burns opvolgde als voorzitter van de Fed, het voornaamste rentetarief optrok (een stap die nu bekendstaat als de “Volcker disinflation”), en de Bijna-Grote-Recessie van 1979-1982 op gang bracht.

Vreemd genoeg werd deze geschiedenis van wat er feitelijk gebeurd is om de een of andere reden opgeslokt door een alternatief verhaal, waar velen vandaag de dag nog steeds aan vasthouden. Volgens deze pseudo-historische hervertelling begrepen Keynesiaanse economen in de jaren zestig de natuurlijke hoogte van de werkloosheid niet, zodat ze de centrale bankiers en de regeringen overhaalden om een excessief expansief beleid te voeren, dat de totale vraag boven het niveau uitbracht dat overeenkomt met volledige werkgelegenheid.

Dit was uiteraard een belediging voor de goden van de markt, die reageerden met een goddelijke vergelding in de vorm van een hoge en aanhoudende inflatie. De “Volcker disinflation” was dus een daad van boetedoening. Om de oerzonde uit te wissen moesten miljoenen arbeidsplaatsen en banen worden geofferd.

De voor de hand liggende les die uit dit verhaal kan worden getrokken, is dat economen en centrale bankiers nooit meer een excessief expansief beleid mogen voeren. Maar dat is duidelijk een slecht beleidsadvies.

Het is immers ruim twintig jaar geleden dat de economen Douglas Staiger, James H. Stock en Mark W. Watson lieten zien dat de natuurlijke hoogte van de werkloosheid geen stabiele parameter is die exact kan worden ingeschat. En de economen Olivier Blanchard, Eugenio Cerutti en Lawrence H. Summers hebben het geloof omvergeblazen dat de Phillips-curve een substantiële helling heeft. Als je wilt beweren dat deze curve in de jaren zeventig wél een substantiële helling had, moet je zelfs je ogen afwenden van de aanbodzijde-schokken van dat decennium, en aan de vraag gevolgen toekennen die op plausibeler wijze aan het aanbod kunnen worden toegekend.

Degenen die het gangbare economische fabeltje over de jaren zeventig hebben gebruikt om opwaartse bewegingen van de inflatie in de jaren negentig en het eerste en tweede decennium van deze eeuw te voorspellen blijken er allemaal naast te hebben gezeten. Waarom heeft dit verhaal ons vandaag de dag dan nog steeds zo in zijn greep?

De beste – zij het ontoereikende en zeer voorlopige – verklaring die ik heb gehoord is dat het aansluit bij onze cognitieve vooroordelen, omdat het ons vertelt wat we willen horen. Het lijkt in onze aard te liggen om naar verhalen over zonden en boetedoening, misdaad en straf, vergissingen en iemands verdiende loon te zoeken.

Het onderzoek van de vraag waarom we deze cognitieve vooroordelen hebben zal in de toekomst ongetwijfeld tot vele bloeiende carrières in de psychologie leiden. In de tussentijd moeten we onszelf bevrijden uit een heuristische gevangenis van eigen makelij.

Vertaling: Menno Grootveld

http://prosyn.org/oL3nhXl/nl;

Handpicked to read next