41

De ontnuchterende lessen van Aleppo

NEW YORK – De val van Aleppo voor strijdkrachten die loyaal zijn aan de Syrische president Bashar al-Assad is noch het einde van het begin, noch het begin van het einde van de vijf-en-een-half jaar durende burgeroorlog in Syrië – een oorlog die ook een oorlog is die door buitenlandse hulptroepen wordt uitgevochten, evenals een regionaal conflict en in zekere mate zelfs een mondiaal conflict. De volgende grote slag zal plaatsvinden in de provincie Idlib; de enige vraag is wanneer. En zelfs daarna zal de oorlog blijven dooretteren in diverse delen van wat een verdeeld land zal blijven.

Hoe dan ook is het een goede tijd om de stand van zaken op te maken en ons te richten op wat we hebben geleerd, al is het maar om daarvan te leren. Er is weinig in de geschiedenis dat onvermijdelijk is, en de uitkomst in Syrië is het resultaat van wat overheden, groepen en individuen hebben gekozen te doen – en niet te doen. Dat laatste is in Syrië net zo gewichtig gebleken als wél iets doen.

Op geen enkel moment was dit duidelijker dan toen de Verenigde Staten hun dreigement niet waarmaakten om de regering-Assad te laten boeten voor haar gebruik van chemische wapens. Dat bleek een gemiste kans te zijn, niet alleen om het momentum van het conflict te veranderen, maar ook om het principe te onderstrepen dat ieder regime dat massavernietigingswapens inzet daar spijt van zal krijgen. Afdwinging is immers essentieel voor de effectiviteit van toekomstige afschrikking.

Het trekken van extra lessen vergt dat we teruggaan naar 2011, toen vreedzame anti-regeringsbetogers op dodelijk geweld stuitten, wat de Amerikaanse president Barack Obama en anderen ertoe bracht te eisen dat Assad aftrad. Ook op dit punt ging de krachtige retoriek niet met daden of toereikende middelen gepaard. Zo'n groot gat tussen doelen en middelen maakt het vrijwel altijd onvermijdelijk dat een beleid gedoemd is te mislukken.

Dit is vooral het geval als het doel regimeverandering is, en als het heersende regime een substantiële minderheid van een verdeelde bevolking vertegenwoordigt. Deze omstandigheden leiden meestal tot een strijd waarbij de winnaar alles wint – en de verliezer alles verliest. Het is dan geen verrassing dat degenen die het meest te verliezen hebben deze strijd doorgaans met een enorme vasthoudendheid voeren.

Deskundigen op het gebied van de internationale betrekkingen schrijven vaak over de vermeende grenzen van de bruikbaarheid van militaire macht. Maar Syrië toont aan dat militaire macht beslissend kan zijn – vooral als zij in enorme hoeveelheden wordt ingezet, met weinig bekommernis over het aantal gedode of ontheemde burgers. Rusland, Iran en de regering-Assad hebben allemaal laten zien wat grootschalig en dikwijls lukraak militair geweld vermag.

Nog een slachtoffer van het Syrische conflict is de term “internationale gemeenschap.” In feite is er weinig wat duidt op een mondiale gemeenschap van gedachten of daden. En nu er ruim vijfhonderdduizend doden en nog eens tien miljoen ontheemden in Syrië zijn, blijkt de veelgeprezen doctrine van de “responsibility to protect” (R2P, “verantwoordelijkheid om te beschermen”) eveneens niets om het lijf te hebben.

Unaniem aanvaard door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2005 (deels als reactie op de genocide in Rwanda van tien jaar eerder) was R2P gebaseerd op het idee dat regeringen verplicht zijn hun burgers te beschermen tegen fysiek leed. Als ze daartoe niet in staat of bereid zijn, aldus R2P, zijn andere regeringen verplicht tussenbeide te komen om degenen die leed wordt berokkend te beschermen.

Als er een regering was die niet voldeed aan de R2P-norm, was het Syrië wel. Maar de internationale interventie die uiteindelijk plaatsvond was niet bedoeld om onschuldige levens te beschermen of de greep op de macht van de regering te verzwakken; in plaats daarvan was zij bedoeld om te verzekeren dat de regering de overhand zou behouden. En met succes.

De internationale gemeenschap deed het maar een heel klein beetje beter toen het aankwam op het reageren op de enorme vluchtelingencrisis die door de oorlog veroorzaakt was. Het feit dat veel landen niet bereid zijn geweest hun grenzen te openen voor betekenisvolle aantallen asielzoekers benadrukt de realiteit dat het beste vluchtelingenbeleid er één is dat voorkomt dat onschuldige mannen, vrouwen en kinderen überhaupt vluchtelingen worden.

Diplomatieke inspanningen zijn er niet in geslaagd Aleppo of zijn inwoners te redden, en zullen waarschijnlijk geen einde kunnen maken aan de oorlog. Hoe getalenteerd en toegewijd diplomaten ook mogen zijn, diplomatie weerspiegelt meestal de werkelijkheid op het slagveld in plaats van dat ze die kan creëren. Toekomstige diplomatieke inspanningen om een einde te maken aan de gevechten of een specifieke politieke uitkomst te bewerkstelligen zullen louter slagen voorzover het militair evenwicht en de ontwikkelingen dat zullen toestaan.

Vooruitblikkend zal de regering-Assad in het zadel blijven en een groot deel van het land, maar niet het hele land, controleren. Diverse soennitische terreurgroepen, minder radicale soennitische rebellen, buitenlandse hulptroepen zoals Hezbollah, het Turkse leger, Syrisch-Koerdische strijdkrachten en anderen zullen wedijveren om de controle over specifieke regio's. Buitenstaanders, zoals de Verenigde Staten, doen er goed aan deze werkelijkheid in de onmiddellijke toekomst te aanvaarden en hun inspanningen te richten op het stabiliseren van gebieden die zijn bevrijd van de Islamitische Staat, burgerbevolkingen te beschermen, politieke en militaire banden te ontwikkelen met niet-terroristische soennitische groeperingen, en plaatselijke bestanden te smeden om nog meer Aleppo's te voorkomen.

Het doel van het teweegbrengen van een overgang naar een andere regering met een bredere basis moet worden gehandhaafd. Maar dat is een propositie voor de langere termijn. De les van de afgelopen vijfeneenhalf jaar moet ter harte worden genomen: degenen die zich met beperkte wilskracht en beperkte middelen met Syrië bemoeien moeten zichzelf beperkte doelen stellen als zij ook maar een beperkte hoeveelheid goeds willen verwezenlijken.

Vertaling: Menno Grootveld