17

Het inrichten van een 'lerende samenleving'

NEW YORK – Burgers in de rijkste landen van de wereld zijn gaan denken dat hun economieën op innovatie zijn gebaseerd. Maar innovatie maakt al ruim twee eeuwen deel uit van de economie van de ontwikkelde wereld. Duizenden jaren lang, tot de Industriële Revolutie, groeiden de inkomens nauwelijks. Vervolgens kwam het inkomen per hoofd van de bevolking in een stroomversnelling terecht en steeg het jaar na jaar, slechts onderbroken door de tijdelijke gevolgen van conjuncturele fluctuaties.

De econoom en Nobelprijswinnaar Robert Solow heeft al zestig jaar geleden opgemerkt dat deze inkomensstijging grotendeels te danken was aan de technologische vooruitgang – het leren hoe je dingen beter kunt aanpakken – en niet aan de accumulatie van kapitaal. Hoewel een deel van de stijging van de productiviteit de invloed van dramatische ontdekkingen weerspiegelt, is een groot deel ervan het gevolg van kleine, geleidelijke veranderingen. En als dat het geval is, heeft het zin om de aandacht te vestigen op de manier waarop samenlevingen leren, en wat er kan worden gedaan om dat leren te bevorderen – inclusief de manier waarop je leert.

Een eeuw geleden betoogde de econoom en politieke wetenschapper Joseph Schumpeter dat de centrale deugd van een markteconomie haar vermogen was om te innoveren. Hij beweerde dat de traditionele focus van economen op concurrerende markten misplaatst was; wat ertoe deed was concurrentie om de markt, niet op de markt. Innovatie werd gedreven door concurrentie om de markt. Een aaneenschakeling van monopolisten zou in zijn ogen op de langere termijn tot hogere levensstandaarden leiden.

De conclusies van Schumpeter zijn niet onweersproken gebleven. Monopolisten en dominante bedrijven als Microsoft kunnen innovatie juist tegenwerken. Tenzij ze tot de orde worden geroepen door de mededingingsautoriteiten kunnen zij zich schuldig maken aan gedrag dat de concurrentie ondermijnt, om hun monopolistische positie te behouden.