4

Hoe de banken de economie opaten

LONDEN – Op een conferentie eind vorig jaar verraste de president van de Bank of England (BoE) Mark Carney zijn publiek door te speculeren dat de activa van banken in Londen tegen 2050 zouden kunnen groeien tot negen maal het bbp van Groot-Brittannië. Zijn voorspelling representeerde een simpele extrapolatie van twee trends: een voortdurende wereldwijde financiële consolidatie (dat betekent een snellere groei van financiële activa dan van de reële economie) en de handhaving van Londen van zijn aandeel in de financiële wereldhandel.

Dit mogen misschien redelijke aannames zijn, maar deze schatting was voor velen zeer verontrustend. Het gastheerschap van een enorm financieel centrum, met buitenmatig grote binnenlandse banken, kan kostbaar zijn voor belastingbetalers. In IJsland en Ierland ontgroeiden de banken het vermogen van hun overheid om ze wanneer nodig te ondersteunen. Het resultaat was desastreus.

Nog geheel afgezien van de potentiele bailout-kosten betogen sommigen dat financiële wildgroei de echte economie schaadt door het afromen van talent en hulpbronnen die beter elders hadden kunnen worden ingezet. Maar Carney betoogt in tegendeel dat de rest van de Britse economie profiteert van de aanwezigheid van een mondiaal financieel centrum in haar midden. ‘In het centrum staan van het mondiale financiële systeem verbreedt de investeringsmogelijkheden voor de instituties die zorg dragen voor de Britse spaartegoeden en het versterkt het vermogen van de fabricage- en creatieve industrie van het VK om mondiaal te concurreren’, zo zei hij.

Dat is zeker de aanname waarop de Londense markt is gebouwd en de lijn die opeenvolgende regeringen hebben uitgevent. Maar deze begint onder vuur liggen.