16

Drie ontmoetingen met Hillary

PARIJS – We spreken Boston, juli 2004; het decor is een restaurant in het centrum waar uitgever Tina Brown Hillary Clinton en een handvol notabelen heeft uitgenodigd, waaronder Caroline Kennedy, filmer Michael Moore en oud-senator George McGovern. Wat meteen opvalt is Clinton’s jeugdige verschijning, stralende lach, en helblauwe ogen die, wanneer ze ons met nieuwsgierigheid monstert, net iets te rond lijken voor haar gezicht.

Af en toe betrekt haar gezichtsuitdrukking kortstondig door een flits van onderdrukte pijn, hardnekkig en iets onbeheerst. Vijf jaar eerder was ze de meest vernederde echtgenote in Amerika, een vrouw wiens privéleven – volledig en meedogenloos - voor de hele natie op straat lag. Dus ze kan over nationale en internationale politiek praten tot ze een ons weegt, ze kan de lof zingen over John Kerry, die haar partij net heeft genomineerd in een poging om George W. Bush een tweede termijn te ontzeggen, en ze kan uitweiden over haar rol als nieuwe senator van New York, maar er blijft mij zich een idee opdringen dat ik niet uit mijn hoofd krijg en dat toevoeg aan het reisverslag dat ik voor The Atlantic aan het schrijven ben.

Dit idee is het volgende: om haar man te wreken en om wraak op hem zelf te nemen, om de schandvlek op het gezin weg te spoelen, en om aan te tonen hoe een onbevlekte regering Clinton er uit zou zien, zal deze vrouw vroeger of later een gooi naar het presidentschap van de Verenigde Staten doen. Dit idee roept The Human Stain van Philip Roth in herinnering, gepubliceerd een jaar nadat de senaat haar echtgenoot vrijsprak van beschuldigingen van meineed en belemmering van de rechtsgang, waarin hij vlijmscherp schetst hoe onuitwisbaar   een, zelfs onverdiende, smet op iemands blazoen kan zijn. Ze zal er voor vechten om het Oval Office - het theater van haar innerlijke, uiterlijke, en aardse beproevingen - op haar eigen voorwaarden te betreden. En de meest waarschijnlijke uitkomst, zal mijn artikel concluderen, is dat ze hierin zal slagen.

We spoelen nu vooruit naar Parijs, mei 2011. De senator uit New York is minister van Buitenlandse Zaken geworden voor president Barack Obama. Haar aura heeft de zojuist afgesloten G-8 top, waarvoor Frankrijk gastheer was, volledig gedomineerd. Het is tien uur ‘s avonds, en ik sta samen met Mahmoud Jibril, een van de leiders van de Libische opstand, in de lobby van Hotel Westin bij de liften te wachten. Jibril is speciaal afgereisd om het lot te bepleiten van de burgers die kolonel Moammar Khadaffi en zijn zoons hebben beloofd te zullen verdrinken in rivieren van bloed.