3

Een “Volvo-moment” voor de anti-microbiële resistentie

LONDEN – Enige tijd geleden heeft Volvo een inspirerende aankondiging gedaan: het bedrijf zal na 2019 niet langer auto's produceren die op benzine of diesel rijden. Misschien verwachten de Volvo-managers dat traditionele auto's in de toekomst minder winstgevend zullen zijn. Maar wat hun motief ook is, het besluit heeft veel weerklank gevonden. Binnen 24 uur maakte de Franse president Emmanuel Macron bekend dat Frankrijk vóór 2040 de verkoop van op benzine of diesel rijdende auto's zou verbieden.

Het besluit van Volvo bevestigt dat er zaken aan het veranderen zijn in de auto-industrie, en er gaat een positieve boodschap van uit in de strijd tegen de klimaatverandering. Maar nóg belangrijker is dat het aantoont dat mensen en organisaties nog steeds in staat zijn grote, stoutmoedige stappen te zetten om grote problemen op te lossen.

Van de vele mondiale problemen vandaag de dag heeft de strijd tegen de antimicrobiële resistentie (AMR) wanhopig behoefte aan een soortgelijke doorbraak. Voor de pleitbezorgers was het verschijnen van AMR op de agenda van de G20 in Hangzhou, China, vorig jaar een grote triomf. Maar de verklaring van de leiders van de G20 in 2016 over AMR was niet zo doortastend als zij had kunnen zijn, omdat ze de lat niet te hoog wilden leggen. Zij wisten dat Duitsland, een enthousiaste kampioen in de strijd tegen AMR, de G20 dit jaar zou voorzitten en naar verwachting vergaande voorstellen op tafel zou leggen.

In de aanloop naar de G20-top in Hamburg van dik een week geleden begon ik me zorgen te maken dat Duitsland deze verwachtingen niet waar zou maken. Maar Duitsland blijkt juist heel weinig te hebben beloofd, maar heel veel te hebben geleverd. Het lange communiqué dat aan het einde van de top werd uitgegeven bevat een verklaring over AMR die verder gaat dan ik had verwacht.

Niet alleen hebben de G20-leiders hun eerdere steun voor pogingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en de Organisatie voor Dierenwelzijn herbevestigd om AMR aan te pakken. Ze hebben ook belangrijke stappen gezet op drie cruciale gebieden: het agrarisch gebruik, de diagnostiek en de markt voor nieuwe nuttige medicijnen. Er zijn duidelijk kansen voor doorbraken op al deze terreinen.

De G20-landen hebben beloofd het gebruik van antibiotica in de agrarische sector te verbieden, althans buiten de context van de dierengeneeskunde. Alleen dát is al een grote stap voorwaarts, omdat in grote landen als de Verenigde Staten, en mogelijk ook in China en India, antibiotica nu méér worden gebruikt voor de groeibevordering in de landbouw dan voor de bestrijding van infecties bij mensen. De Europese Unie verbiedt deze praktijk nu al tien jaar, maar haar beleid is mondiaal niet overgenomen omdat gevestigde belangen in grote voedselproducerende landen dit in de weg stonden.

Toch zouden landen als de VS en Brazilië nu ook hun eigen “Volvo-moment” kunnen hebben: beleidsmakers moeten voedselproducenten eenvoudigweg vertellen wat wel en wat niet zal worden toegestaan. En ook de particuliere sector moet op dit front leiderschap tonen. Voedselproducenten en detailhandelaren moeten in de voetsporen treden van de bacon-producent uit het Britse Devon die zich onlangs vastlegde op het gebruik van louter antibiotica-vrije varkens. Zullen Walmart, Asda, Tesco en anderen hetzelfde doen?

Om de oorlog tegen AMR te winnen moeten we ophouden antibiotica uit te delen als snoepjes. Voor dat doel zullen we nieuwe technologieën en andere maatregelen nodig hebben om verandering te brengen in de manier waarop antibiotica worden voorgeschreven en toegediend. In de Review on AMR, waarvan ik voorzitter ben geweest, hebben we er bij de ontwikkelde landen op aangedrongen te eisen dat in 2020 bepaalde diagnostische tests verplicht zullen zijn vóórdat er antibiotica mogen worden voorgeschreven.

Door dergelijk beleid ten uitvoer te leggen kan ieder ontwikkeld land zichzelf nu als wereldleider opwerpen. Dat kunnen bedrijven ook, die zich vastleggen op het bieden van de noodzakelijke diagnostische technologie tegen een betaalbare prijs, of farmaceutische bedrijven, die zulke technologieën steunen als aanvulling op nieuwe antibiotica tegen “gram-negatieve” bacteriën, waar een hogere prijs voor moet gelden om overmatig gebruik te ontmoedigen.

Welk farmaciebedrijf zal de Volvo of Tesla van zijn bedrijfstak worden? Als één bedrijf de leiding neemt bij het ontwikkelen van nieuwe geneesmiddelen, als reactie op de antibiotica-resistente ziekteverwekkers die de WHO heeft aangewezen als urgente prioriteit, zullen andere firma's bevrijd worden uit hun gebruikelijke dwangbuizen en gedwongen worden op te houden zo bekrompen na te denken over de kwartaalrendementen.

In de Review on AMR hebben we 27 interventies aanbevolen, die de AMR-crisis een generatie lang zouden kunnen oplossen. Drie in de VS gevestigde farmaceutische producenten hebben alleen al dit decennium tot nu toe méér geld besteed aan de terugkoop van de eigen aandelen dan wat nodig zou zijn om deze interventies doorgang te laten vinden. Farmaceutische bedrijven zijn in de eerste plaats balansmanagers geworden, en pas in de tweede plaats geneesmiddelenfabrikanten. Iemand moet dit model ondersteboven keren.

De Review heeft ook beloningen voorgesteld voor bedrijven die de markt betreden om innovaties te bevorderen. Als de grote farmaceutische producenten betekenisvolle investeringen in antibiotica-onderzoek zouden doen, zouden ze de huidige omstandigheden voor het ontwikkelen van nieuwe medicijnen enorm kunnen verbeteren. De door de G20 voorgestelde “R&D Collaboration Hub” zal, zo mogen we hopen, bij deze inspanningen helpen. Pas wanneer de bedrijfstak de handen ineenslaat, zal het AMR vergaan zoals de op benzine of diesel rijdende auto.

Vertaling: Menno Grootveld