10

Rusland niet-commerciële spionnen

LONDEN – Niets jaagt de westerse opinie over Rusland vandaag de dag zo op stang als de Russische wet over buitenlandse agenten. Deze wet, die in juli 2012 werd afgekondigd, eist dat alle niet-commerciële organisaties (NCO's) die zich bezighouden met (niet nader gedefinieerde) “politieke activiteiten” zich registreren bij het ministerie van Justitie als “dragers van de functies van een buitenlandse agent.” Een daaropvolgende maatregel uit 2015, de Wet op Ongewenste Organisaties, eist dat iedere zodanige NCO zich publiekelijk als “buitenlands agent” presenteert.

Deze woordkeuze is eigenaardig en belangrijk. Wat zijn immers de “functies van een buitenlandse agent” in het normale taalgebruik, behalve het dienen van de belangen van een buitenlandse macht? De Russische wet verbiedt NCO's die niet onder staatscontrole staan feitelijk ook maar enige activiteit uit te voeren in het land. De aanduiding plaatst ze buiten het bereik van Russische financiering, die hen uit het register zou kunnen krijgen. Ze zijn niet alleen buitenlands, ze zijn infiltranten en verraders!

Sommige groepen hebben zich vrijwillig laten liquideren: andere zijn onderdrukt omdat ze zich niet aan de regels hebben gehouden; en weer andere zijn verbannen. Tot de prominente slachtoffers behoren het Sacharov Centrum, het Memorial Centrum voor de Mensenrechten en de Moskouse School voor Burgereducatie. Nadat zij een eerdere poging heeft weten af te weren om haar als een “buitenlandse agent” te stigmatiseren, wordt de Europese Universiteit van St. Petersburg nu bedreigd met sluiting wegens triviale technische overtredingen – een favoriete bureaucratische tactiek.

De vendetta tegen onafhankelijke groeperingen met buitenlandse banden brengt Rusland geen voordelen en schaadt zijn internationale reputatie. Je kunt proberen het op drie niveau's te begrijpen.

In de eerste plaats was de wet uit 2012 een rechtstreeks antwoord op de grote openbare demonstraties die het jaar daarvóór waren begonnen in Moskou, St. Petersburg en andere Russische steden, om te protesteren tegen het besluit van Vladimir Poetin om zich te kandideren voor een derde termijn als president, en tegen zijn daaropvolgende verkiezing en inauguratie. Tijdens zijn enige verkiezingstoespraak, op 23 februari 2012, waarschuwde Poetin tegen buitenlandse inmenging in de interne zaken van het land, onder verwijzing naar de overwinning van Rusland op Napoleon in 1812. Dit was een duidelijke zinspeling op de Oranjerevolutie in Oekraïne uit 2004, die naar werd beweerd was georganiseerd en gefinancierd door de CIA, waarbij Viktor Janoekovitsj, Moskou's voorkeurskandidaat voor het presidentschap, uit het zadel werd gewipt. De wet uit 2015 volgde op de Maidan-opstand van het jaar daarvóór in Kiev, waarbij Janoekovitsj voor de tweede maal ten val was gebracht.

Angst voor de desintegratie van de Russische staat, een erfenis van het imperium, is nooit ver uit de gedachten van de Russische heersers. Het is de voornaamste hinderpaal voor de ontwikkeling van een democratische politiek.

Het is een erfenis uit de schemerige wereld van “frontorganisaties”: echte “buitenlandse agenten,” schijnbaar onafhankelijk en bezig met waardevolle missies, maar in het geheim gecontroleerd door het buitenland. De Russen weten daar alles van, omdat de Sovjets hen routinematig als clandestien instrument voor het buitenlands beleid hebben ingezet. Het “front” was een verzameling achtenswaardige, dikwijls argeloze academici en sportmensen; de “achtervang” werd gecontroleerd door de KGB. Het idee was dat de organisatie sympathiek, of althans niet kritisch, tegenover de gezichtspunten van de Sovjets moest staan.

De CIA antwoordde met gelijke munt. Het Congress for Cultural Freedom, opgericht in 1950, was één van zijn vele “frontorganisaties,” die bekende literaire en politieke tijdschriften als Encounter in Groot-Brittannië financierde en dissidente intellectuelen achter het IJzeren Gordijn hielp.

Hoe veel invloed deze “frontorganisaties” in werkelijkheid op de gebeurtenissen uitoefenden is moeilijk te zeggen. Voor degenen die verslaafd zijn aan samenzweringstheorieën vormen zij een cruciaal onderdeel van de geheime geschiedenis van de Koude Oorlog. En de hedendaagse gedrukte en elektronische media bieden nieuwe ruimte voor dit soort fantasieën. Met een voldoende levendige verbeelding kun je de lange arm van Poetin zien in de benoeming van George Osborne tot hoofdredacteur van de Londense Evening Standard, eigendom van de Russische oligarch Alexander Lebedev.

Maar de achterdocht jegens het buitenland heeft veel diepere wortels in Rusland. Een ieder die probeert de Russische taal te leren stuit al snel op de buitengewone ondoorzichtigheid daarvan. Het culturele genoom (DNA) van de Russen heeft zich ontwikkeld in een boerenmilieu, waarin eigendom gemeenschappelijk was, en het leven gemeenschappelijk werd geleefd. (Het Sovjet-communisme was, ondanks al zijn geïmporteerde westerse ideeën, geworteld in het traditionele concept van gemeenschappelijk bezit). Relaties werden niet door wettelijke normen beheerst, maar door informele overeenkomsten en een duidelijk onderscheid tussen degenen die wel of niet de gemeenschappelijke mentaliteit deelden. Van oudsher een gesloten samenleving hebben de Russen je lief, of haten zij je, verklaarde de filmmaker Andrei Kontsjalovski in 2015; zij respecteren je niet.

De verwesterlijking die door Peter de Grote in de achttiende eeuw is begonnen was een gedwongen groei – iets wat de Russische samenleving was opgelegd. Zonder tsaar Peter, schrijft Kontsjalovski, zouden er geen Poesjkin, Tsjaikovski of Tolstoj zijn geweest, maar louter Pimen, Feofan Grek en Andrei Roeblov. Het centrum van de zwaartekracht bleef echter op dezelfde plek binnen de Russische beschaving, die collectief en slavofiel was, en niet individualistisch en westers. Het Westen gaf Rusland zijn dissidenten en zijn raketten, maar niet zijn betekenis. Poetin begrijpt dit heel goed. Zo nu en dan zakt zijn taalgebruik weg in de spreektaal van de gevangenis, of tyurma, de belichaming van een gesloten samenleving.

Het is te veel om de intrekking te verwachten van de wet op de buitenlandse agenten. Maar Rusland kan een kosteloze concessie doen, door de registratie van “buitenlandse agenten” te beperken tot NCO's die meer dan 50% van hun financiering uit niet-Russische bronnen ontvangen. Dit zou de mogelijkheid ontsluiten van binnenlandse financiering, waardoor zulke groepen in Rusland kunnen opereren. En het Westen zou in ruil daarvoor zelf een kosteloze concessie kunnen doen – zoals de verwijdering van sommige Russen van de lijst van degenen die niet naar Europa of de Verenigde Staten mogen reizen. Is het te veel gevraagd om zulke kleine, de paranoia terugdringende stappen te zetten, nu de vrede en welvaart in de wereld voor een deel afhankelijk zijn van een stabiele relatie tussen het Westen en Rusland?

Vertaling: Menno Grootveld