7

Europa moet zijn institutionele hervormingen doorzetten

BERKELEY – De Europese leiders hebben nooit last gehad van wat de vroegere Amerikaanse president George H.W. Bush 'the vision thing' placht te noemen. Zij hebben altijd geweten welke kant ze op wilden met hun continent. Maar het hebben van een visie is niet hetzelfde als het ten uitvoer leggen daarvan. En als ze hun ideeën in de praktijk moesten brengen, zijn de leiders van de Europese Unie herhaaldelijk tekortgeschoten.

Deze spanning tussen de doelstellingen van de Europeanen en hun vermogen die te verwezenlijken blijkt nu opnieuw in het kielzog van de recente EU-top. De Europese leiders zijn het eens over wat de EU zou moeten worden: een economische en monetaire unie, aangevuld met een bankenunie, een begrotingsunie en een politieke unie. Het probleem begint zodra de discussie zich verplaatst naar de manier waarop – en vooral wanneer – die laatste drie zaken moeten worden gerealiseerd.

Een bankenunie, zo zijn de Europese leiders overeengekomen, betekent het in het leven roepen van één enkele toezichthoudende autoriteit. Het betekent het organiseren van een programma voor gemeenschappelijke depositogaranties, en het creëren van een mechanisme voor het opdoeken van insolvabele financiële instellingen. Het betekent het in staat stellen van de Europese noodfondsen om rechtstreeks geld te steken in ondergekapitaliseerde banken.

Een begrotingsunie betekent dat de Europese Commissie (of een Europees ministerie van Financiën) de bevoegdheid krijgt om een veto uit te spreken over de begrotingen van nationale staten. Het betekent dat een deel van de schulden van de lidstaten een gezamenlijke verantwoordelijkheid zal worden: de schulden van individuele overheden worden euro-obligaties ('Eurobonds') en daardoor een gezamenlijke verplichting van alle lidstaten. De Commissie (of het Europese ministerie van Financiën) zou moeten besluiten hoeveel extra Eurobonds er worden uitgegeven en in wiens naam.