7

Storm van literaire idiotie tegen Bob Dylan

PARIJS – Oh, de woede van de verschaalden na de aankondiging van de Nobelprijs voor Bob Dylan! Wat een verontwaardiging vanuit de academie – let wel, niet uit de Zweedse, maar uit de academie van de wereldkerk van de literatuurwetenschap.

De paniek van de literaire bureaucratie, verstrikt in haar zekerheden en ondergedompeld in makkelijke optelsommen, met zijn halfbakken voorspellingen en listige positiewisselingen, is tastbaar. Was de keuze voor Dylan politiek of niet? Waarom een Amerikaan? Waarom geen vrouw? Of een stem, welke dan ook, van een zichtbare minderheid? Of deze dan die al twintig jaar wacht? Of die andere die de hoop al heeft opgegeven?

Chicago Pollution

Climate Change in the Trumpocene Age

Bo Lidegaard argues that the US president-elect’s ability to derail global progress toward a green economy is more limited than many believe.

De waarheid is echter, hoe onaangenaam deze ook moge zijn voor de snobs, dat het toekennen van de Nobelprijs Literatuur aan een auteur die maar één boek heeft geschreven niet verrassender is dan deze aan Dario Fo of Winston Churchill te geven, die beide niet veel meer hebben geschreven.

En hier is een nog grotere waarheid: om één van onze laatste volksdichters, de verre verwant van Rutebeuf, Villon, en alle andere minstrelen en zangers van eenzaamheid en verzaking te begiftigen; om een troubadour te wijden, een bard van de broederschap van de eenzame en verloren zielen; om de auteur van balladen te bekronen die, om de frase van André Suarès over Rimbaud te lenen, ‘een moment in het leven’ van zoveel mensen in de 20e en 21e eeuw omvatten, is een stuk logischer dan het uit een hoge hoed toveren van de obscure Rudolf Christoph Eucken, of de oude armlastige Sully Prudhomme in plaats van Tolstoj.

Het is natuurlijk verkeerd om pedant te reageren op pedanterie. Maar geconfronteerd met mensen die roepen: ‘Dat is geen literatuur! Het is het gewoon niet!’ ben je geneigd om de kant van Francis Ponge te kiezen die, Lautréamont citerende, de poëet (hij zou zeggen proëet) als een bard of troubadour definieerde die door de ‘stem der dingen’ te vertolken ‘het nuttigste lid van zijn stam wordt.’ En op wie is deze definitie beter van toepassing dan op de schrijver van ‘Chimes of Freedom’ of ‘Long and Wasted Years,’ die tot leven brengen en muziek maken van wat Greil Marcus de ‘onzichtbare republiek’ van de Amerikaanse cultuur heeft genoemd?

Je bent ook geneigd de kant van Mallarmé te kiezen, die ons op het hart drukte, in min of meer dezelfde bewoordingen, ‘om een puurdere betekenis aan de woorden van de stam te geven.’ Nogmaals, wie kan dit beter dan deze collage-artiest, deze kameleon van citaat en intertekstualiteit, deze laconieke lyricus, deze verbale alchemist die zijn leven doorbracht met het heruitvinden van andermans en zijn eigen woorden, die de sintels van het tijdperk dat onder de as van de verliezen van de dag ligt blootlegt, en die het lood dat hij op de radio hoorde in goud veranderde?

Overweeg anders nog eens het bekende verschil tussen scribenten, die instrumenteel gebruik maken van de taal, en schrijvers, die hem tot zijde weten te spinnen. Zinspeelde Dylan niet op iets soortgelijks toen hij na jaren van strijd voor burgerrechten, verzet tegen de oorlog in Vietnam, en steun aan de feministische revolutie, één van zijn mooiste liederen de titel ‘Im Not There’ gaf, als in ik ben niet meer hier, niet meer jouw slaaf, dat is allemaal verleden tijd, tot ziens?

De ware vraag ligt echter elders. De meest doorslaggevende oefening zou zijn om appelen met appelen te vergelijken, en de auteur van ‘Blonde on Blonde’ met zijn belangrijkste historische en hedendaagse tijdgenoten.

Dylan is een Kerouac die kan zingen. Hij is een Burroughs die de grote parade der Beatgeneratie op muziek zette, met de wilde feesten en naakte lunches. Hij is de schok die Allen Ginsberg beschreef toen hij ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’ voor het eerst hoorde in 1963, een lied waarin de accenten en het tempo, de abrupte verandering in frasering, en de reis naar de diepste kern van woorden en de verbeelding, stuk voor stuk echo zijn van de beste literatuur uit die tijd – maar met muziek erbij!

Gaan we dat tegen Dylan gebruiken? Hem beschuldigen van de zonde de ritmes van de blues, soul, en country met de Bijbel, William Bake en Walt Whitman te hebben versmolten? Waarom zouden we deze soldaat van de Never Ending Tour (met meer dan 2000 optredens!) de waardigheid onthouden die wel zonder aarzeling wordt toegekend aan de schrijver van On The Road?

Het was geloof ik Louis Aragon die zei dat het op muziek zetten van een gedicht is als de beweging van zwartwit naar kleur. Aragon, de dichter die door Léo Ferré en anderen gezongen werd, geloofde dat een ongezongen gedicht halfdood was.

Het ziet er naar uit dat Dylan de enige uit zijn tijd is geweest die in staat was om de muzikaliteit die essentieel is voor grote poëzie volledig gestalte te geven; aan die tweede stem die elke dichter achtervolgt, maar die hij gewoonlijk delegeert aan zij die hem reciteren of lezen; aan die kracht van gezang die zijn ultieme en geheime waarheid bevat, en die sommigen krankzinnig heeft gemaakt – zowel literair als tragisch – in hun pogingen taal naar zang te verheffen.

Fake news or real views Learn More

Bard en rapsode tegelijk. Een poëtisch-muzikale revolutie belichaamd in één man en oeuvre. Ik denk graag dat het deze tour de force is geweest – deze aanhoudende geniale inval die eeuwig fris blijft – die het Nobelcomité met zijn keuze erkenning heeft willen geven.

Vertaling: Melle Trap