2

Kan een basisinkomen arme landen helpen?

BERKELEY – Het oude idee van het nieuw leven inblazen van de verzorgingsstaat door het instellen van een onvoorwaardelijk universeel basisinkomen heeft de laatste tijd door het hele politieke spectrum heen tot de verbeelding gesproken. Ter linkerzijde wordt het gezien als een eenvoudig en potentieel alomvattend tegengif tegen armoede. Ter rechterzijde wordt het beschouwd als een manier om de complexe bureaucratie van de verzorgingsstaat te vernietigen, terwijl de noodzaak voor bepaalde verplichtingen inzake sociaal gerichte overdrachtsbetalingen wordt erkend, zij het op een manier die de prikkels om te gaan werken niet significant verzwakt. Het basisinkomen biedt ook enige zekerheid voor een gevreesde toekomst waarin robots misschien in veel sectoren de plaats van werkers gaan innemen. Maar kan het feitelijk werken?

Tot nu toe is deze vraag vooral gesteld in de ontwikkelde landen – en de cijfers zien er weinig veelbelovend uit. Hoewel Canada, Finland en Nederland naar verluidt nu het idee van een basisinkomen overwegen, waarschuwen een paar vooraanstaande economen uit de geavanceerde landen dat het volstrekt onbetaalbaar is. In de Verenigde Staten zou een jaarlijkse uitkering van $10.000,- aan iedere volwassene – minder dan de officiële armoededrempel voor één individu – onder het huidige systeem bijvoorbeeld vrijwel de gehele belastingopbrengst uitputten. Misschien was het een dergelijke rekensom die de Zwitserse kiezers er in overweldigende mate toe heeft gebracht het idee eerder deze maand in een referendum te verwerpen.

Aleppo

A World Besieged

From Aleppo and North Korea to the European Commission and the Federal Reserve, the global order’s fracture points continue to deepen. Nina Khrushcheva, Stephen Roach, Nasser Saidi, and others assess the most important risks.

Maar hoe zit het met de lage- en middeninkomenslanden? In feite zou een basisinkomen begrotingstechnisch heel goed mogelijk kunnen zijn – om niet te zeggen sociaal wenselijk – op plekken waar de armoededrempel laag is en bestaande sociale vangnetten zowel kwetsbaar als duur in het onderhoud zijn.

Neem India, waar ongeveer een vijfde van de bevolking onder de officiële armoedegrens leeft, die op zichzelf al heel laag ligt. Hoewel burgers met een zogenoemde “onder-de-armoedegrens”-kaart in aanmerking komen voor overheidshulp, blijkt uit onderzoeken dat ongeveer de helft van de armen die kaart niet heeft – terwijl ongeveer een derde van de niet-armen er wel één heeft.

Veel andere ontwikkelingslanden kampen met soortgelijke problemen, waarbij subsidies die voor de armen bedoeld zijn terechtkomen bij mensen die beter af zijn, terwijl een groot deel van de doelgroep ervan verstoken blijft, als gevolg van een combinatie van politieke en administratieve corruptie en échte structurele problemen. In een omgeving waarin de werkgelegenheid is geconcentreerd in de informele sector en mensen vooral zelfstandig werkzaam zijn, zonder enige formele boekhouding of inkomensgegevens, kan het heel moeilijk zijn te achterhalen wat iemand verdient. Onder deze omstandigheden kan het identificeren van de armen duur, corrupt, gecompliceerd en controversieel zijn.

Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou een groot deel van deze onduidelijkheid kunnen wegnemen. De vraag is of regeringen zich dit kunnen veroorloven, zonder de lasten voor de belastingbetalers te verhogen en economische prikkels te ondermijnen.

In India zou het antwoord op deze vraag wel eens 'ja' kunnen zijn. Als ieder van India’s 1,25 miljard inwoners een jaarlijks basisinkomen van 10.000 roepies ($149) zou ontvangen – ongeveer driekwart van de officiële armoedegrens – zouden de totale kosten uitkomen op ongeveer 10% van het bbp. Het Nationaal Instituut van Openbare Financiën en Beleid in Delhi schat dat de Indiase regering ieder jaar aanzienlijk méér uitgeeft aan impliciete of expliciete subsidies voor delen van de bevolking die beter af zijn, om maar te zwijgen van belastingvoordelen voor het bedrijfsleven. Door een deel van of al deze subsidies stop te zetten – die uiteraard niet de uitgaven mogen omvatten op gebieden als gezondheidszorg, onderwijs, voeding, landelijke en stedelijke ontwikkelingsprogramma's en milieubescherming – kan de overheid fondsen vrijmaken om iedereen, arm en rijk, een redelijk basisinkomen te bieden.

Als de overheid niet de politieke moed heeft om genoeg subsidies te elimineren, blijven twee opties over. Ofwel zij zou stappen kunnen ondernemen om de belastingopbrengst te verhogen, door bijvoorbeeld de inning van de vermogensbelasting te verbeteren (die momenteel extreem laag is), ofwel zij zou het niveau van het basisinkomen dat zij invoert kunnen verlagen.

Wat overheden niet moeten doen is het programma voor een basisinkomen financieren met geld uit andere belangrijke sociale welzijnsprogramma's. Hoewel een basisinkomen in de plaats kan komen van sommige buitengewoon disfunctionele sociale voorzieningen, mag het bijvoorbeeld niet de plaats innemen van het openbaar onderwijs en de gezondheidszorg, voedingsprogramma's voor schoolgaande kinderen of werkgelegenheidsgaranties bij openbare werken. Het basisinkomen zou immers nog steeds zeer beperkt zijn, en er is geen manier om ervoor te zorgen dat individuen er genoeg van zouden gebruiken om tot een sociaal wenselijk niveau van onderwijs, gezondheid of voeding te komen.

Als rekening wordt gehouden met deze beperkingen zijn er weinig redenen om te denken dat basisinkomensprogramma's in de ontwikkelingslanden niet zouden kunnen werken. De meest frequent gehoorde argumenten tegen dergelijke programma's zijn verre van overtuigend.

Volgens de critici is het grootste probleem dat een basisinkomen de motivatie om te werken zou kunnen verzwakken, vooral onder de armen. Gezien het feit dat de waarde van werk zich uitstrekt tot buiten het inkomen, zo luidt de redenering, zou dit een serieus probleem kunnen zijn. Europese sociaal-democraten zijn bijvoorbeeld bezorgd dat een basisinkomen de solidariteit zou kunnen ondermijnen die ten grondslag ligt aan de huidige sociale verzekeringsprogramma's.

Maar in ontwikkelingslanden worden werkers in de dominante informele sector nu al buitengesloten uit sociale verzekeringsprogramma's. En geen enkel denkbaar basisinkomen zou – althans nu nog - groot genoeg zijn om mensen in staat te stellen nooit meer te hoeven werken.

In feite zou een basisinkomen onder de allerarmsten de waardigheids- en solidariteitsversterkende effecten van werk vergroten, door een deel van de druk te verlichten op mensen – vooral vrouwen – die nu veel te zwaar belast worden. In plaats van zich voortdurend zorgen te maken over hun levensonderhoud zouden zelfstandigen, zoals kleinschalige producenten en handelaren, zich meer kunnen bezighouden met het nemen van strategische beslissingen, waarbij ze hun voordeel zouden kunnen doen met hun toegenomen onderhandelingsmacht tegenover handelaren, crediteuren en landheren.

Het laatste argument tegen het basisinkomen is dat de armen het geld zullen gebruiken ter financiering van individueel of sociaal verwoestende activiteiten zoals gokken en de consumptie van alcohol. Maar ervaringen met rechtstreekse overdrachtsbetalingen in een reeks landen, waaronder Ecuador, India, Mexico en Oeganda, hebben niet veel bewijzen opgeleverd voor dergelijk misbruik. In het algemeen wordt het geld juist uitgegeven aan waardevolle goederen en diensten.

Support Project Syndicate’s mission

Project Syndicate needs your help to provide readers everywhere equal access to the ideas and debates shaping their lives.

Learn more

Voorstellen voor een universeel basisinkomen, naar voren gebracht door utopische socialisten en libertariërs, kunnen voorbarig zijn in de geavanceerde landen. Maar dergelijke programma's mogen niet zomaar terzijde worden geschoven in de ontwikkelingslanden, waar de omstandigheden zodanig zijn dat ze een betaalbaar alternatief kunnen bieden voor administratief onhandelbare en ineffectieve welzijnsprogramma's. Een basisinkomen is geen wondermiddel; maar voor de overbelaste inwoners van de ontwikkelingslanden, die in extreme armoede leven, kan het zeker een verlichting betekenen.

Vertaling: Menno Grootveld