7

Misvattingen over hoger onderwijs

CAMBRIDGE – Sinds economen hebben aangetoond hoeveel universiteiten bijdragen aan economische groei, hebben politici veel aandacht voor het hoger onderwijs. Terwijl ze dat doen echter begrijpen ze de rol van universiteiten vaak verkeerd en dat op een manier die hun beleid ondermijnt.

Zo heeft president van de VS Barack Obama herhaaldelijk de nadruk gelegd op de noodzaak dat het percentage jonge Amerikanen dat een universitaire graad haalt hoger wordt. Dit is ongetwijfeld een doel dat de moeite waard is en dat kan bijdragen aan de nationale voorspoed en jonge mensen kan helpen de ‘American Dream’ te realiseren, Toch bevestigen economen die de relatie tussen onderwijs en economische groei hebben bestudeerd wat het gezond verstand al suggereert: het aantal universitaire graden is lang niet zo belangrijk als hoe goed studenten cognitieve vaardigheden ontwikkelen, zoals kritisch denken en het vermogen om problemen op te lossen.

Erdogan

Whither Turkey?

Sinan Ülgen engages the views of Carl Bildt, Dani Rodrik, Marietje Schaake, and others on the future of one of the world’s most strategically important countries in the aftermath of July’s failed coup.

Het onvermogen om dit te herkennen kan aanzienlijke gevolgen hebben. Terwijl landen het massaal hoger onderwijs omhelzen, stijgen de kosten om universiteiten in stand te houden dramatisch relatief tot een elite systeem. Het gegeven dat de overheid nog veel meer programma’s te ondersteunen heeft (en dat mensen geen hogere belastingen willen betalen) maakt het vinden van geld om voor deze inspanningen te betalen steeds moelijker. Universiteiten moeten daardoor proberen om te voorzien in kwalitatief goed onderwijs aan meer studenten terwijl ze zo min mogelijk geld uitgeven.

Het bereiken van alle drie de doelen tegelijkertijd (kwaliteit, kwantiteit en kosten efficiëntie) is moeilijk en de aannemelijkheid van een compromis is groot. Waar het makkelijk is om de afstudeercijfers en de kosten voor de overheid te berekenen is de kwaliteit van het onderwijs, wat moeilijk te meten is, waarschijnlijk het doel dat er bekaaid afkomt. Niemand hoeft het te weten (en daarom kan er niemand verantwoordelijk gehouden worden) als het cijfer afgestudeerden stijgt, maar de gehoopte economische voordelen niet materialiseren.

Een tweede misconceptie bij beleidsmakers is dat het enige belangrijke voordeel van een universitaire opleiding de kans is die ze afgestudeerden geeft op een middenklasse baan en om bij te dragen aan de economische groei en welvaart. Maar terwijl deze bijdrage belangrijk is, is het niet de enige die er toe doet.

Afgezien van het vinden van een eerste baan, lijken afgestudeerden zich makkelijker aan te passen aan een economie die zich ontwikkelt en aan een veranderende arbeidsmarkt dan degenen met alleen een middelbare schooldiploma. Ook stemmen ze vaker, doen meer mee aan openbare activiteiten, begaan minder misdaden, onderwijzen hun kinderen beter en worden minder ziek door een gezondere levensstijl.

Onderzoekers schatten dat deze bijkomende voordelen nog meer waard zijn dan het toegevoegde levensinkomen van een universitaire graad. Als beleidsmakers hier overheen kijken, lopen ze het risico snellere, goedkopere vormen van onderwijs aan te moedigen die hun studenten of de maatschappij veel minder zullen opleveren.

Deze misvattingen worden zeer duidelijk uit de speeches van regeringsleiders de laatste twintig jaar. Zoals voormalig president Bill Clinton opmerkte in zijn ‘State of the Union’ in 1994: ‘We meten elke school aan de hand van één hoge norm: leren onze kinderen wat ze nodig hebben om te concurreren en te winnen in de mondiale economie?’. Sindsdien hebben George W. Bush en Obama dezelfde sentimenten geëchood als ze spraken over de doelen van hun onderwijsbeleid.

De zelfde houding manifesteert zich in andere landen ook. Een veelzeggend voorbeeld is de verschuiving in de bevoegdheid over Britse universiteiten sinds 1992; van het ministerie van Onderwijs en Wetenschap naar het ministerie van Onderwijs en Werkgelegenheid naar een nieuw ministerie voor Zaken, Innovatie en Vaardigheden in 2009.

Deze gekrompen opvatting over de rol van hoger onderwijs heeft geen precedent. Ze negeert wat lang gezien werden als de meest essentiële doelen van onderwijs: het versterken van het morele karakter van de student en ze voor te bereiden actieve, geïnformeerde burgers te worden. In het licht van deze traditie komt de recente verschuiving naar materiele doelen enigszins als een verrassing. John Meynard Keynes profeteerde in de jaren twintig dat wanneer landen rijker werden, de preoccupatie van mensen met geld en bezittingen af zou nemen. In plaats daarvan is precies het tegenovergestelde gebeurd.

Toegegeven, democratische politieke leiders moeten reageren op het volk en geld en banen zijn duidelijk hetgene waar dat mee bezig is. Volgens een enquête onlangs onder eerstejaars studenten in de VS in 2012, noemde 88% het krijgen van een betere baan als een belangrijke reden om naar de universiteit te gaan en 81% noemde ‘financieel erg goed af zijn’ als een ‘essentieel’ of ‘zeer belangrijk’ doel.

Maar het is ook zo dat 82,5% van deze eerstejaars ‘meer leren over dingen die me interesseren’ als een belangrijke reden noemde om naar de universiteit te gaan en 73% ‘een algemeen onderwijs en het begrijpen van ideeën’ wilde. Onder de doelen die ze ‘essentieel’ of ‘erg belangrijk’ vonden noemde 51% ‘het vergroten van mijn kennis over andere landen en culturen’, 46,5% ‘het ontwikkelen van een betekenisvolle levensfilosofie’ en substantiële getallen noemden doelen als ‘leider van de gemeenschap worden’, ‘het dichter bij elkaar brengen van etnische groepen’ en ‘het betrokken raken bij programma’s om het milieu te verbeteren’.

Uiteindelijk suggereren enquêtes dat wat mensen het meeste willen niet rijkdom is, maar liever het geluk en de tevredenheid die voortkomt uit een vol en betekenisvol leven. Geld helpt, maar dat doen andere dingen ook, zoals goede relaties met mensen, aardig zijn voor elkaar, gedeelde interesses en de kans om te leven in een vrije, ethische en goed geregeerde democratische maatschappij. Een stagnerende economie en gebrek aan kansen zijn zeker problemen, maar dat zijn lage opkomstcijfers bij verkiezingen, burgerlijke apathie, wijdverspreide veronachtzaming van ethische normen en onverschilligheid naar kunst, muziek, literatuur en ideeën ook.

Support Project Syndicate’s mission

Project Syndicate needs your help to provide readers everywhere equal access to the ideas and debates shaping their lives.

Learn more

Het is de verantwoordelijkheid van onderwijzers om hun studenten tevreden en verantwoordelijke levens te helpen leven. Hoe goed of slecht universiteiten ook aan deze taak voldoen, hun pogingen om hierin succesvol te zijn, zijn het waard om voor te vechten en verdienen de erkenning en aanmoediging van hun overheid. Ten slotte, zoals Louis Brandeis observeerde: Goed of slecht, ‘is onze overheid de krachtige, alomtegenwoordige leraar’. Als onze leiders onderwijs alleen maar zien als een middel om geld en een baan te krijgen, moet niemand verrast zijn als jongeren er uiteindelijk ook zo over gaan denken.

Vertaling: M. Trap