2

Het einde van de armoede in China?

BEIJING – Eén van de meest geciteerde statistieken over China zou wel eens het aantal Chinezen kunnen zijn dat de afgelopen 35 jaar uit de armoede is getild. Met ruim 800 miljoen is dat een enorm aantal – en een buitengewone prestatie. Geen ander land heeft binnen zo'n korte tijd zo'n niveau van armoedebestrijding weten te bereiken. Maar hoe zit het met de miljoenen Chinezen die achter zijn gebleven?

De Chinese regering heeft beloofd de taak te zullen voltooien, met als doel de armoede op het platteland in 2020 tot nul te hebben teruggebracht. De autoriteiten hebben die belofte voor het eerst in 2015 bij de Verenigde Naties gedaan, en haar vervolgens in andere officiële fora herhaald. Maar het vervullen van die belofte – die nu de verbetering van het welzijn van ongeveer 45 miljoen mensen zou inhouden, ruwweg overeenkomend met de hele bevolking van Soedan – zal aanzienlijke kosten met zich meebrengen.

Armoedebestrijding is, net als veel andere belangrijke ondernemingen, onderworpen aan de wet van de verminderende meeropbrengst: hoe meer je iets doet, des te minder productief je inspanningen worden. Denk aan het opwinden van een horloge: hoe meer je opwindt, des te meer weerstand zich opbouwt in de veer.

Als het om armoedebestrijding gaat, zijn de mensen die daar het eerst van profiteren waarschijnlijk degenen die daartoe het best waren uitgerust, dankzij bijvoorbeeld hun achtergrond of geografische positie. Tegen de tijd dat er nog maar een paar – of zelfs een paar miljoen – over zijn, kun je verwachten dat het veel moeilijker wordt hen te bereiken.

China’s ervaringen illustreren dit fenomeen perfect. Tijdens de eerste zeven jaren van China's officiële “hervorming en openstelling,” die in 1978 is begonnen, klommen naar schatting jaarlijks zo'n 110 miljoen mensen uit de armoede. De vijftien daaropvolgende jaren – van 1985 tot 2000 – vertraagde het tempo van de vooruitgang aanzienlijk, waarbij jaarlijks nog maar zo'n 26 miljoen mensen boven de armoedegrens uitstegen. Van 2000 tot 2015 waren dat er ruim 22 miljoen per jaar. De huidige doelstelling van de regering is om ieder komend jaar tien miljoen mensen uit de armoede te tillen.

Naarmate het tempo van de armoedebestrijding is teruggelopen, zijn de kosten ervan gestegen – een ontwikkeling die wordt geïllustreerd door een nieuw VN-rapport, aangevuld door gegevens van de Wereldbank. In 2000 kostte het uit de armoede tillen van iemand in China de centrale regering ongeveer $48 per jaar (in nominale termen). In 2010 was dit bedrag ruimschoots verdrievoudigd naar $150 per jaar. Nu de regering haar best doet om de meest verafgelegen wonende mensen te bereiken – die geen toegang hebben tot wegen, elektriciteit of schoon drinkwater – overstijgen de kosten de $200 per jaar.

Dat wil niet zeggen dat China niet in staat zal zijn zijn doelstellingen voor 2020 te verwezenlijken. Integendeel, de plannen van de regering en de implementatie ervan zien er net zo sterk uit als altijd. In feite overtrof de regering haar doelstellingen vorig jaar, toen 12,4 miljoen mensen aan de armoede op het platteland konden ontsnappen. En het budget voor dit jaar is 30% hoger, wat inhoudt dat minstens $1000 is vrijgemaakt voor ieder van de tien miljoen mensen die de Chinese regering in 2017 uit de armoede wil tillen.

Maar ook al tracht de regering de armoede op het platteland “tot nul te reduceren” – door iedereen boven de nationale armoedegrens van 2230 yuan ($324) per jaar te brengen –, zij mag niet het zicht verliezen op de bredere problemen die met de armoede samenhangen. China blijft snelle verstedelijking ervaren – een fenomeen dat in het verleden substantieel heeft bijgedragen aan de armoedebestrijding, maar ook een steeds groter aantal stedelingen heeft blootgesteld aan het gevaar van behoeftigheid.

Volgens officiële cijfers bedraagt het gemiddelde inkomen van de armste 5% van de huishoudens in de Chinese steden ongeveer $1128 (7521 yuan). Dat is ongeveer 3,5 maal het Chinese armoedecijfer. Maar over de hele linie zijn de gemiddelde inkomens in de steden minstens vier maal zo hoog als die op het platteland, wat erop duidt dat het leven op een dergelijk budget wellicht nog zwaarder is dan het leven op de armoedegrens op het platteland. En dan zijn de vele migrantenarbeiders nog niet eens meegerekend, die in de steden “onder de radar” leven en waarschijnlijk nog minder verdienen dan de armste 5%.

Deze vormen van armoede kunnen nog moeilijker aan te pakken zijn, niet in de laatste laats omdat China er minder ervaring mee heeft. Tegen deze achtergrond kunnen – en moeten – de successen van andere landen bij het bestrijden van de stedelijke armoede de Chinese inspanningen op dit gebied hulp bieden, net zoals de succesvolle Chinese inspanningen om de armoede op het platteland terug te dringen als een model kunnen dienen voor anderen.

China is lang niet het enige land dat zich richt op het gevecht om een einde te maken aan de armoede; de eerste Duurzame Ontwikkelingsdoelstelling van de VN roept op tot de eliminatie van de armoede in al zijn verschijningsvormen vóór 2030. Nu het proces steeds uitdagender en kostbaarder wordt, kan het over de grenzen kijken van cruciaal belang blijken om alle Chinezen in staat te stellen een behoorlijk, waardig leven te leiden.

Vertaling: Menno Grootveld