3

In de gevechtslinie van de armoedegrens

WASHINGTON, DC – Ik was gedurende geruime tijd - eerst als hoogleraar en daarna als de belangrijkste economische adviseur van de Indiase regering - een gretig gebruiker van de data over mondiale armoede van de Wereldbank, waarmee ik trends in kaart bracht en patronen tussen landen analyseerde. Ik vroeg mij bijna constant af hoe deze getallen berekend werden. Toen werd ik drie jaar geleden hoofdeconoom van de Wereldbank. Dit voelde alsof ik te gast was in mijn favoriete restaurant en bij het bestellen opeens gevraagd werd om me naar de keuken te begeven en daar mijn eigen eten te klaar te maken.

Het is voor de Wereldbank een hele uitdaging om in het vak van het meten van armoede te zitten. Als de armoede afneemt beschuldigen critici ons ervan dat we ons succes proberen te etaleren. Als de armoede groeit zeggen ze dat we ons er alleen maar van verzekeren dat de zaak blijft lopen. En als de armoede gelijk blijft beschuldigen ze ons ervan de twee voorgaande aanklachten te willen ontlopen.

Chicago Pollution

Climate Change in the Trumpocene Age

Bo Lidegaard argues that the US president-elect’s ability to derail global progress toward a green economy is more limited than many believe.

Gelukkig is de kennis dat voor je welke uitkomst dan ook bekritiseerd zal worden ergens bevrijdend. Toch was ik me toen ons team op het punt stond de mondiale armoedegrens van dit jaar vast te stellen (en daarmee de verspreiding van armoede) zeer bewust van de waarschuwing van Angus Deaton, Nobelprijswinnaar Economie 2015; ‘Ik weet niet of het wel zo verstandig is van de Wereldbank om zich zo aan dit project engageren.’

Hij had een punt: de armoedeberekening van dit jaar is in het bijzonder van belang. In 2011 werd de nieuwe Koopkrachtpariteit (ofwel KKP, die in feite benadert wat je voor 1 dollar in verschillende landen kan kopen) berekend, en de data kwamen in 2014 beschikbaar. Dit was een factor om serieus rekening mee te houden bij het aanpassen van de mondiale armoedegrens, het schatten van nieuwe armoedecijfers, en hoe ze te publiceren in ons Global Monitoring Report, dat in oktober verscheen.

Een tweede reden is dat de VN de uitroeiing van chronische armoede heeft opgenomen in zijn nieuwe Sustainable Development Goals. Dit betekent dat onze beslissing waar de armoedegrens te trekken waarschijnlijk niet alleen de missie van de Wereldbank zal beïnvloeden, maar ook de ontwikkelingsagenda van de VN en alle landen ter wereld. We hadden toen we ons in de getallen vastbeten dus duidelijk een speciale en zware verantwoordelijkheid te vervullen.

Onze eerste taak was om te bekijken hoe de mondiale armoedegrens eerder bepaald werd. In 2005, de vorige ronde keer dat de KKP werd geraamd, was de methode die gebruikt werd om de nationale armoedegrens van de 15 armste landen te nemen, hun gemiddelde te berekenen, en deze als mondiale grens te nemen. Dit leidde tot een mondiale armoedegrens van 1,25 dollar. Het idee hierachter is dat iedereen van wie de KKP-aangepaste dagelijkse consumptie beneden de 1,25 dollar ligt arm is.

De geldigheid van deze methode is betwist – en ik heb ook zo mijn bedenkingen. Maar waar de grens in het eerste jaar getrokken wordt is in bepaalde zin niet zo interessant. Omdat er geen eenduidige definitie van armoede bestaat, is wat van belang is ergens een redelijke grens te trekken, en deze vervolgens in reële (dus aangepast aan de inflatie) begrippen constant te houden, zodat we de prestaties van individuele landen en de wereld als geheel door de tijd heen kunnen blijven volgen.

Sommige critici betogen dat de armoedegrens van 2005 van $1,25 te laag was. Maar wat ze zou moeten wakker schudden is dat in 2011 ongeveer 14,5% van de wereldbevolking – een op de zeven mensen – beneden deze grens leefde. Gegeven het feit dat we ons al hebben geëngageerd aan het doel om in 2030 de extreme, chronische armoede te hebben beëindigd was onze eerste beslissing om de meetlat om armoede langs te meten in stand te houden.

Omdat er inflatie had opgetreden tussen de twee ronden van de KKP-berekening in 2005 en 2011 moesten we duidelijk de nominale armoedegrens verhogen om de reële grens stabiel te houden. Om dit voor de hele wereld te doen is echter verre van makkelijk. De inflatie van welke landen moesten we hierin meenemen?

We deden twee experimenten: het ene was om de armoedegrens van de 15 landen die in 2005 gebruikt waren op te blazen, met gebruik van hun respectievelijke inflatiecijfers, en daarna een gemiddelde te nemen; het andere was om hetzelfde te doen met de 101 landen waarvan we over de benodigde data beschikten. Deze twee methodes verhoogden de grens naar respectievelijk $1,88 en $ 1,90.

Er was echter ook nog een derde aanpak mogelijk: om de armoedegrens in lijn met de nieuwe KKP-indices te verhogen, zodat de verspreiding van de mondiale armoede onveranderd bleef (omdat je kan stellen dat KKP ons de pariteit tussen landen aangeeft en daarmee niet het absolute niveau van de mondiale armoede zou moeten veranderen). Deze oefening resulteerde - in wat inmiddels op een merkwaardige samenloop van de sterren begon te lijken – in een armoedegrens van net boven de 1,90 dollar. Kort gezegd leidden alle drie de methodes wanneer je je tot een decimaal beperkt tot 1,9 dollar. En dat is dan ook de grens die wij hebben overgenomen.

We zullen niet altijd het geluk hebben verschillende methoden te gebruiken en nog steeds op virtueel dezelfde grens uit te komen. Bovendien kan en moet armoede met vele andere maten dan geld gemeten worden: levensverwachting, genoten onderwijs, gezondheid, en verschillende andere maten van menselijke ‘functionering en capaciteiten’ (zoals Amartya Sen ze noemt) zijn allemaal van belang. Om deze problemen in de toekomst op te lossen en het armoedeonderzoek van de Wereldbank te verbreden, hebben we de 24-tallige Commission on Global Poverty opgericht - voorgezeten door Sir Tony Atkinson van de London School of Economics en van Nuffeld College, Oxford - die zijn bevindingen komende lente voor zal leggen.

Fake news or real views Learn More

Het meten van armoede trekt de aandacht van zowel politici als wetenschappers – en van allebei hebben we hier meer dan genoeg van mogen ontvangen. We hebben oor gehad voor de armoedepolitiek, maar hebben weerstaan politiek te lobbyen. We hebben notie genomen van de suggesties van onderzoekers, maar vertrouwd op ons eigen oordeel. Eén onderzoeker vond onvermurwbaar dat de armoedegrens 1,9149 dollar zou moeten zijn. Ik heb besloten dat die drie laatste cijfers ietwat overbodig waren.

Vertaling Melle Trap