16

Het argument voor Britse import-substitutie

LONDEN – Het meest dramatische economische effect van de uitslag van het Brexit-referendum in Groot-Brittannië is de ineenstorting van het pond sterling geweest. Sinds juni is de wisselkoers van het pond met 16% gedaald ten opzichte van een mandje valuta's. Mervyn King, de vorige gouverneur van de Bank of England, heeft de lagere wisselkoers toegejuicht als een “welkome verandering.” Nu het Britse tekort op de betalingsbalans ruim 7% van het bbp bedraagt – veruit het grootste tekort sinds in 1955 begonnen is met het verzamelen van gegevens hieromtrent – kan de afwaardering van de munt als een buitenkansje worden beschouwd. Maar is dat ook zo?

Economen zullen doorgaans betogen dat de beste manier om de betalingsbalans van een land weer in evenwicht te brengen een daling van de wisselkoers van de munt is, waardoor importen duurder en exporten goedkoper worden, en de importen afnemen en de exporten toenemen. De hogere importprijzen – een nettoverlies voor het land –  zouden worden gecompenseerd door de ruimere werkgelegenheid en door de hogere lonen die het gevolg zouden zijn van de betere concurrentiepositie van de export van het land.

 1972 Hoover Dam

Trump and the End of the West?

As the US president-elect fills his administration, the direction of American policy is coming into focus. Project Syndicate contributors interpret what’s on the horizon.

Maar om de valuta-ontwaarding zijn magische werk te laten doen, moet er meer vraag naar exporten komen als de wisselkoers daalt (of, in economische termen, moet de prijselasticiteit van de vraag naar exporten hoog zijn). Maar uit diverse onderzoeken blijkt dat de prijselasticiteit van de vraag naar Britse exporten laag is. Een recente paper van Francesco Aiello, Graziella Bonanno en Alessia Via van de European Trade Study Group signaleert bijvoorbeeld dat “het langetermijn-niveau van de export geen verband blijkt te houden met de reële wisselkoers van Groot-Brittannië.”

Dit betekent dat Britse consumenten en producenten het hele gewicht van de devaluatie zullen moeten dragen: hun import-consumptie zal worden gerantsoeneerd door een scherpe stijging van de prijsinflatie, zonder compenserende exportwinst. Dit is geenszins een louter theoretische propositie. In 2008-09, toen de rest van de wereld op de drempel van deflatie stond, onderging Groot-Brittannië een inflatoire recessie, waarbij het bbp op het hoogtepunt met 6,1% op jaarbasis kromp, terwijl de inflatie een niveau van 5,1% bereikte. Dit gebeurde omdat de koers van het pond sterling tussen piek en dal met ruim 21% daalde, tussen 2007 en 2008.

Hoewel het tekort op de betalingsbalans in 2011 omlaag ging naar zo'n 1,7% was de verbetering bovendien slechts tijdelijk. Na 2011 begon het tekort weer toe te nemen, ook al wist het pond zijn verliezen nooit meer goed te maken. In economisch jargon uitgedrukt lijkt het erop dat Groot-Brittannië lijdt aan een extreme versie van het Houthakker-Magee-effect – vernoemd naar twee economen die in 1969 ontdekten dat de prijselasticiteiten voor importen en exporten substantieel uiteen konden lopen, wat aanleiding gaf voor een permanente tendens naar een onevenwichtige betalingsbalans.

De reden lijkt de enorme krimp van de Britse industriële sector te zijn – van zo'n 28% van de bruto toegevoegde waarde in 1978 naar nog geen 10% vandaag de dag. Zoals econoom Nicholas Kaldor lang geleden heeft opgemerkt, presteren industriële exporteurs doorgaans beter dan dienstenexporteurs, omdat industriële productie dikwijls voor hogere rendementen zorgt.

Bovendien hebben structurele hervormingen er sinds halverwege de jaren negentig voor gezorgd dat Britse exporteurs diepgaand zijn geïntegreerd in de mondiale aanbodketens. Als gevolg daarvan hebben veel van Groot-Brittannië's exporten geïmporteerde inputs nodig; dus als de koers van het pond daalt en de importkosten stijgen, maakt het 'knock-on effect' op de exportprijzen ze minder concurrerend. Uit de meest recente OESO-data blijkt dat de import-inhoud van de Britse exporten zo'n 23% bedraagt, tegen zo'n 15% in het geval van de Amerikaanse en Japanse exporten.

Op dit moment vertrouwt Groot-Brittannië op de kapitaalstroom naar de City of London voor de beperking van de val van het pond. Maar zoals bleek uit de ineenstorting van de wisselkoers in 2008, is deze bron van buitenlandse vraag naar het pond zeer instabiel. Als genoemde kapitaalstroom uiteindelijk omkeert, wat onvermijdelijk een keer zal gebeuren, zullen het pond en de exporten een nieuwe klap krijgen.

In het ergste scenario is er sprake van een scherpe daling van de waarde van het pond, gevolgd door hardnekkige inflatie die de stijging van de Britse exportprijzen versterkt, waardoor de muntontwaarding nog verder wordt aangewakkerd. Deze noodlottige spiraal zou alleen maar kunnen worden doorbroken als de Britse consumenten een daling van hun reële inkomen zouden ondergaan die doorgaans louter in ontwikkelingslanden voorkomt.

De waarschijnlijkere uitkomst is een langzaam soort rottingsproces, waarbij periodieke geldontwaardingen geleidelijk aan de levensstandaard omlaag brengen van al diegenen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het pond.

Wat moet er worden gedaan? Alleen snel overheidsingrijpen om goederen die momenteel worden geïmporteerd te vervangen door in eigen land geproduceerde goederen zal helpen. De klassieke oplossing bestaat uit importcontroles. Maar er zijn ook andere maatregelen denkbaar die minder schadelijk zijn voor de handelsregels en de internationale relaties.

De nationale investeringsbank waarvoor de Labour Party momenteel pleit kan een mandaat krijgen om te investeren in industrieën met een hoog potentieel voor importsubstitutie. Een alternatief zou zijn dergelijke industrieën rechtstreeks uit de schatkist te subsidiëren, met subsidies die gekoppeld zijn aan de aan de kwaliteit aangepaste prijs van de import die wordt vervangen. Als de in eigen land geproduceerde goederen concurrerend worden ten opzichte van de buitenlandse goederen, kunnen de subsidies geleidelijk aan worden weggenomen en kan de sector langzamerhand weer op eigen benen staan.

Fake news or real views Learn More

Idealiter moet de Britse regering erop mikken de import als percentage van het bbp omlaag te brengen van het huidige hoogtepunt van zo'n 30% naar het niveau van vóór 1974 van zo'n 20%. Dit kan te ambitieus blijken, en Groot-Brittannië zal misschien genoegen moeten nemen met zo'n 25% van het bbp. Maar als er niets wordt gedaan, loopt Groot-Brittannië het gevaar dat de welvaart voorgoed wordt geschaad. Een economie in depressie kan weer worden aangeblazen, en een inflatoire economie kan worden neergedrukt. Maar het verlies van de toegang tot cruciale buitenlandse markten als gevolg van valutabewegingen die zich aan de controle van een land onttrekken, is grotendeels onomkeerbaar.

Vertaling: Menno Grootveld