10

Moet er nu meer of minder worden bezuinigd?

BRUSSEL – Is het tijd voor bezuinigingen of voor een stimulans? Moeten regeringen de uitgaven verhogen of verlagen? Opnieuw is deze kwestie onderwerp van discussie tussen beleidsmakers en economen. Burgers, aan wie in 2008 en 2009 werd verteld dat de economie moest worden gestimuleerd, en in 2010 en 2011 dat de tijd was gekomen om de broekriem aan te halen, zijn begrijpelijkerwijs in verwarring. Moeten de prioriteiten opnieuw worden bijgesteld?

Bij de jaarvergadering van het Internationale Monetaire Fonds in oktober gooide de hoofdeconoom van het Fonds, Olivier Blancard, olie op het vuur door erop te wijzen dat overheden de afgelopen tijd de neiging hebben gehad de nadelige gevolgen voor de groei van bezuinigingen te onderschatten. Zij waren er doorgaans van uit gegaan dat een bezuiniging van één dollar het bruto binnenlands product (bbp) op de korte termijn met 50 cent zou verlagen; volgens Blanchard is het werkelijke effect onder de huidige omstandigheden een afname van tussen de 0,90 en 1,70 dollar. Dat is een groot verschil, maar ook een verbijsterende constatering: hoe kan er nu zoveel onzekerheid bestaan?

In tegenstelling tot wat zulke uiteenlopende cijfers suggereren, weten economen in feite heel veel over de gevolgen van het begrotingsbeleid, althans veel meer dan ze vroeger plachten te weten. Tot de jaren tachtig werd algemeen aangenomen dat de zogenoemde 'multiplier' – het effect van een aanpassing van de overheidsuitgaven op het bbp – stabiel was en groter dan één. Een bezuiniging van één dollar zou het bbp met ruim een dollar laten dalen, zodat een terugdringing van de overheidsuitgaven economisch gezien duur was (terwijl omgekeerd een stimulans een positief effect had).

Toen kwam de contrarevolutie, met een hele waslijst aan redenen waarom de 'multiplier' waarschijnlijk veel lager zou uitvallen. Als je beknibbelt op de uitgaven, zo werd gezegd, zal de inflatie gaan dalen. De centrale bank zal dan de rente verlagen, huishoudens kunnen meer uitgeven in de verwachting dat de belastingen lager zullen uitvallen, en het vertrouwen van het bedrijfsleven zal stijgen. Uiteindelijk zal er dus weinig, zo niet geen, sprake zijn van schadelijke invloed op de productie.