2

Groot-Brittannië pleegt verraad aan de vrijheid van meningsuiting

NEW YORK – De beproeving die David Miranda – de partner van Guardian-columnist Glenn Greenwald – heeft moeten ondergaan, is een schokkende demonstratie van het veranderde klimaat rondom de pers. Hij werd aangehouden op de Londense luchthaven Heathrow, negen uur ondervraagd en gedwongen zijn elektronische apparatuur af te geven (waarop documenten zouden staan die de voormalige medewerker van de Amerikaanse geheime dienst NSA, Edward Snowden, aan Greenwald zou hebben verstrekt). Ook het feit dat functionarissen van de Britse staat hoofdredacteur Alan Rusbridger van de Guardian hebben gedreigd met strafrechtsvervolging en Guardian-medewerkers hebben gedwongen computerapparatuur te vernietigen op het kantoor van de krant, duidt erop dat de sfeer is verhard. Maar het schokkendst is wel dat dit allemaal is gebeurd in Groot-Brittannië.

Als hoofd van de regering die deze daden heeft begaan, heeft de Britse premier David Cameron het nobelste culturele erfgoed van zijn land verraden. Groot-Brittannië heeft de vrijheid van meningsuiting immers uitgevonden en aan de rest van de wereld gegeven.

Als koningen of parlementariërs in de zeventiende eeuw probeerden de Britse pers te controleren, vochten Britse pamflettisten en polemisten terug, om dikwijls met de overwinning te gaan strijken. Geconfronteerd met anti-monarchistische, revolutionaire agitatie gaf het parlement in 1643 – zoals Cameron zich zou moeten herinneren – zijn goedkeuring aan de Licensing Order, die de Britse pers censuur vóór publicatie oplegde. Boekhandelaren protesteerden, en het jaar daarop publiceerde John Milton zijn “Areopagitica,” een fundamentele uiteenzetting van onze moderne filosofie van het recht op de vrijheid van meningsuiting. Teruggrijpend op de aanvankelijke Britse principes trok het House of Commons de wetgeving tegen de persvrijheid in 1776 in.

Na die terugkeer naar het gezond verstand was het in Groot-Brittannië lastig om iemand te veroordelen voor politieke toespraken of geschriften. Geen enkele wet legde politieke toespraken specifieke beperkingen op, waardoor slechts de veel hogere juridische drempel van het “verstoren van de koningsvrede” overbleef. Ondanks een enorme stroom Jacobijnse propaganda uit het revolutionaire Frankrijk bleven Britse parlementariërs vasthouden aan het idee dat de vrijheid van meningsuiting en de blootstelling van ideeën aan open debatten Groot-Brittannië het best zouden dienen. Pogingen uit 1823 en 1856 om wetten in te voeren die de vrijheid van meningsuiting aan banden zouden leggen, werden weggeschreeuwd door leden van het parlement, met gebruikmaking van zeer modern klinkende argumenten: iedere inperking van de persvrijheid was een “glibberige helling”, terwijl de oproerkraaierij of de blasfemie  van de één de doorsnee-opinie van de ander was.