Nissan's automated conveyor system Christopher Furlong/Getty Images

Moeten we wel de race met de machines aangaan?

LONDEN – Het wegnemen van ongerustheid over robots is een van de belangrijkste bezigheden geworden van de pleitbezorgers van het bedrijfsleven. Het door de meeste mensen gehuldigde – en zeker niet dwaze – gezichtspunt is dat hoe meer banen er worden geautomatiseerd, des te minder er voor mensen overblijven. Het beroemdste voorbeeld is de zelfbesturende auto. Als auto's op eigen kracht kunnen rijden, wat zal er dan met chauffeurs, taxi-chauffeurs enzovoort gebeuren?

The Year Ahead 2018

The world’s leading thinkers and policymakers examine what’s come apart in the past year, and anticipate what will define the year ahead.

Order now

Volgens de economische theorie is deze bezorgdheid ongegrond. Het koppelen van machines aan werkers leidt tot een hogere productie per arbeidsuur. Vervolgens hebben deze werkers een benijdenswaardige keuze: minder werken voor hetzelfde loon als tevoren, of hetzelfde aantal uren werken voor meer loon. En naarmate de kosten van bestaande goederen dalen, zullen consumenten meer geld te besteden hebben aan dezelfde goederen, of aan andere. Hoe dan ook: er is geen reden om een nettoverlies aan menselijke arbeidsplaatsen te verwachten – of iets anders dan een voortdurende verbetering van de levensstandaard.

De geschiedenis duidt daar ook op. De afgelopen tweehonderd jaar is de productiviteit gestaag gestegen, vooral in het Westen. De inwoners van het Westen hebben gekozen voor meer vrije tijd en een hoger inkomen. Het aantal arbeidsuren in de rijke landen is sinds 1870 gehalveerd, terwijl het reële inkomen per hoofd van de bevolking met een factor vijf is toegenomen.

Hoeveel bestaande menselijke arbeidsplaatsen worden feitelijk door robots “bedreigd”? Volgens een zeer waardevol rapport van het McKinsey Global Institute zou vandaag de dag ongeveer 50% van de tijd die wordt besteed aan menselijke arbeidsactiviteit in de mondiale economie in theorie geautomatiseerd kunnen worden, hoewel de huidige trends duiden op een maximum van 30% in 2030, hetgeen vooral afhankelijk is van de snelheid van de adoptie van de nieuwe technologie. De voorspellingen van het rapport op de middellange termijn zijn: Duitsland 24%; Japan 26%; de Verenigde Staten 23%; China 16%; India 9%; en Mexico 13%. Tegen 2030 schat het MGI dat 400-800 miljoen individuen nieuwe arbeidsplaatsen zullen moeten zien te vinden, waarvan er sommige nu nog niet bestaan.

Dit tempo van arbeidsplaatsvervanging wijkt niet heel veel af van die van eerdere periodes. Eén van de redenen waarom de automatisering vandaag de dag toch zo beangstigend is, is dat de toekomst in het verleden veel minder goed kon worden gekend: we misten eenvoudigweg de gegevens voor alarmerende voorspellingen. De dieperliggende reden is dat de huidige automatiseringsvooruitzichten op een toekomst wijzen waarin machines mensen mogelijk ook op veel gebieden kunnen gaan vervangen waarvan wij altijd hebben gedacht dat alleen wíj dat werk zouden kunnen doen.

Economen hebben altijd geloofd dat eerdere golven van arbeidsplaatsvernietiging hebben geleid tot een evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, op een hoger niveau van zowel werkgelegenheid als winst. Maar als robots feitelijk de arbeidsplaatsen van mensen gaan overnemen, is het lastig een evenwichtspunt te ontwaren, totdat het menselijk ras zelf overbodig is geworden.

Het MGI-rapport verwerpt dergelijke conclusies. Op de langere termijn zou de economie zich zodanig kunnen aanpassen dat er bevredigend werk is voor iedereen die wil werken. “Machines zullen werk kunnen overnemen dat routineus, gevaarlijk of vies is, en ons in staat stellen onze menselijke talenten op zinvoller wijze te gebruiken en meer vrije tijd te genieten.”

Dit is zo ongeveer het beste wat je kunt verwezenlijken in de bedrijfseconomie. Toch zitten er een paar ernstige gaten in dit betoog.

Het eerste betreft de lengte en de omvang van de transitie van een menselijke naar een geautomatiseerde economie. Hier kon het verleden wel eens een minder betrouwbare gids zijn dan we denken, omdat het tragere tempo van de technologische verandering heeft betekend dat de arbeidsplaatsvervanging gelijke tred hield met het verdwijnen van arbeidsplaatsen. Vandaag de dag zal het verdwijnen van arbeidsplaatsen – en dus de ontwrichting – veel sneller gaan, omdat de nieuwe technologische ontwikkelingen elkaar steeds sneller opvolgen. “In de geavanceerde economieën zullen alle scenario's,” zo schrijft McKinsey, “resulteren in volledige werkgelegenheid tegen 2030, maar de transitie zou periodes van hogere werkloosheid en [neerwaartse] loonaanpassingen kunnen omvatten,” afhankelijk van het tempo van de aanpassing.

Dit stelt beleidsmakers voor een dilemma. Hoe sneller de nieuwe technologie wordt ingevoerd, des te meer arbeidsplaatsen er worden opgegeten, maar des te sneller de beloofde voordelen worden gerealiseerd. Het MGI-rapport verwerpt pogingen om de omvang en het tempo van de automatisering te beperken, die “de bijdragen zouden kortwieken die deze technologieën bieden voor de dynamiek van het bedrijfsleven en de economische groei.”

Het voornaamste beleidsantwoord volgt automatisch uit deze prioriteitstelling: enorme investeringen, op “Marshall Plan-schaal,” in educatie en training van de beroepsbevolking, om ervoor te zorgen dat mensen de cruciale vaardigheden leren die hen in staat zullen stellen de transitie het hoofd te bieden.

Het rapport erkent ook de noodzaak om ervoor te zorgen dat “de lonen worden gekoppeld aan de stijgende productiviteit, zodat de toenemende welvaart met iedereen wordt gedeeld.” Maar het negeert het feit dat de recente productiviteitswinst slechts een kleine minderheid ten goede is gekomen. Dientengevolge besteedt het eveneens weinig aandacht aan de manier waarop de keuze tussen werk en vrije tijd, die ons door de economen is beloofd, voor iedereen kan worden verwezenlijkt.

Tenslotte ligt aan het rapport de veronderstelling ten grondslag dat de automatisering niet alleen wenselijk is, maar ook onomkeerbaar. Als we eenmaal hebben geleerd iets efficiënter (tegen lagere kosten) te doen, kunnen we niet meer terug naar het iets minder efficiënt bedrijven van die activiteit. De enige overgebleven vraag is hoe mensen zich het best kunnen aanpassen aan de eisen van een hogere efficiency-standaard.

In filosofische zin is dit onduidelijk, omdat het efficiënter doen van iets wordt verward met het beter doen van iets. Een technisch argument wordt door elkaar gehaald met een ethisch argument. Van de wereld die ons door de technologie-apostelen wordt voorgespiegeld, kun en moet je je afvragen: is die wel zo goed?

Is een wereld waarin we veroordeeld zijn tot een race met machines, teneinde steeds grotere hoeveelheden consumptiegoederen te kunnen produceren, een wereld die de moeite van het hebben waard is? En als we alle hoop moeten laten vervliegen dat we deze wereld kunnen controleren, wat is dan nog de waarde van het mens zijn? Deze vragen mogen dan wel niet aan de orde zijn gekomen in het McKinsey-rapport, zij moeten in de publieke discussie wél worden gesteld.

Vertaling: Menno Grootveld

http://prosyn.org/olsmN99/nl;

Handpicked to read next