14

Een OPEC voor migrantenarbeid?

DUBAI – In september 1960 kwamen gedelegeerden uit Iran, Irak, Koeweit, Saoedi-Arabië en Venezuela in Baghdad bijeen om de Organization of Petroleum Exporting Countries (Organisatie van Olie-Exporterende Landen, kortweg OPEC) te vormen. Omdat de wereld steeds afhankelijker werd van olie, nam de macht van de OPEC navenant toe. Zou het vandaag de dag, nu veel ontwikkelingslanden - waaronder een meerderheid van de landen in het Midden-Oosten - dienst doen als de voornaamste exporteurs van arbeid, geen goed idee zijn om de vorming van een OPEC-achtig kartel voor migrantenarbeid te overwegen?

De OPEC is erin geslaagd de gedeelde belangen van haar leden te beschermen, die op individuele basis niet beschermd konden worden. Als een markt structureel ontwricht is, kunnen politieke instrumenten en collectieve actie van het type dat de OPEC belichaamde effectiever blijken dan publiek beleid.

Aleppo

A World Besieged

From Aleppo and North Korea to the European Commission and the Federal Reserve, the global order’s fracture points continue to deepen. Nina Khrushcheva, Stephen Roach, Nasser Saidi, and others assess the most important risks.

De arbeids-exporterende landen van vandaag verschillen niet zoveel van de staten die in 1960 de OPEC oprichtten. Ook zij zijn kwetsbaar op een markt waarop hun klanten de dienst uitmaken. Rijke arbeids-importerende landen en arme arbeids-exporterende landen hebben een wederzijds afhankelijke relatie; maar arbeids-importeurs kunnen eenzijdig de immigratie- of arbeidsmarktbepalingen strenger of soepeler maken, waardoor exporteurs in een voortdurende staat van onzekerheid verkeren.

Deze onevenwichtigheid kan serieuze kosten met zich meebrengen voor de arbeidsexporteurs. Voor veel ontwikkelingslanden zijn de bedragen die werknemers in het buitenland naar huis terugsturen – de zogenoemde “remittances” – een cruciale levenslijn, veel meer dan andere financiële stromen als directe buitenlandse investeringen en hulp. Vaak helpen ze de boekhouding van een land in evenwicht te brengen. Volgens de Wereldbank bedroegen deze remittances in 2013 maar liefst 20-24% van het bbp in de Filippijnen en Indonesië, 42% in Tadzjikistan, 32% in Kirgizië, 17% in Libanon, 10,8% in Jordanië, 9,9% in Jemen, en 6,6% in Egypte en Marokko.

Voor veel ontwikkelingslanden is arbeid een strategische productiefactor, net zoals grondstoffen dat zijn voor economieën die rijk zijn aan hulpbronnen. Als we aan migrantenarbeid denken, denken we aan laaggekwalificeerd werk in de landbouw, de bouw, de dienstensector en het huishouden. Maar landen als (onder meer) Jordanië en Libanon leiden nu ook werknemers op om te kunnen concurreren op de markt voor hooggekwalificeerd werk.

De arbeids-exporterende landen moeten nu hun investeringen in menselijk kapitaal beschermen, en een kartel-achtig politiek lichaam is de meest effectieve manier om dat te doen. Als de hierboven genoemde landen zich aaneen zouden sluiten met China, Mexico, India en andere grote arbeidsexporteurs, zouden ze de meeste troeven in handen hebben in collectieve onderhandelingen over lonen, visum- en andere voorwaarden – waarvan ook de niet-leden kunnen profiteren als de mondiale normen zouden veranderen. De arbeidsimporteurs zouden moeten wedijveren om toegang tot een collectieve markt, in plaats van tot individuele nationale markten, en landen die toegang zouden verkrijgen zouden een aanzienlijk relatief voordeel hebben ten opzichte van de landen die dat niet zou lukken.

Een kartel zou voorkomen dat de arbeidsexporterende landen hun eigen belangen kannibaliseren, zoals dat momenteel gebeurt in het geval van bilaterale overeenkomsten. Als zij bijvoorbeeld afzonderlijke overeenkomsten zouden sluiten met de landen van de Samenwerkingsraad voor de Golf, zouden individuele Zuidoost-Aziatische landen tegen elkaar uitgespeeld kunnen worden, met als gevolg dat er slechtere overeenkomsten uit de bus rollen.

Met een kartel zouden overheden in plaats daarvan minimumlonen kunnen invoeren voor verschillende beroepen, evenals voor verschillende vaardighedenniveaus. Naarmate exporteurs hun migranten-beroepsbevolking beter zouden opleiden, zou de vraag naar hun arbeid groeien en zou er concurrentie ontstaan tussen de afnemers daarvan en niet tussen de leveranciers, waardoor er een virtueuze cirkel in gang zou worden gezet van hogere lonen en nóg meer vaardighedentraining. En omdat dit allemaal op mondiale markten zou plaatsvinden, zouden de prijzen van bepaalde vaardigheden nóg transparanter worden voor opleidingsinstituten, studenten, werknemers en werkgevers.

In dit nieuwe systeem zouden de arbeidsimporterende landen belastingen vergaren – op basis van het nieuw vastgestelde minimumloon – en zouden de “remittances” onbelast blijven. In deze zin zou het kartel eveneens fungeren als een internationale “vakbond”, die onderhandelingsmacht verleent aan werknemers in landen waar vakbonden zwak zijn of helemaal niet zijn toegestaan.

Een arbeids-exporterend kartel zou verreikende gevolgen hebben voor het huidige systeem. Kartelleden zouden in staat zijn derde landen te belonen, of te straffen als ze zich misdragen. En het belangrijkste is dat de werknemers zelf in staat zouden zijn hun waardigheid te laten gelden in een systeem dat hen lang van die waardigheid heeft beroofd. We mogen verwachten dat de xenofobie wereldwijd afneemt, naarmate de toegang tot buitenlandse arbeidskrachten exclusiever wordt.

Een kartel zou in veel landen de zaak van een alomvattende hervorming van de immigratie- en arbeidswetgeving voor buitenlandse werknemers kunnen bevorderen, inclusief in de Verenigde Staten, Japan en de Golf-staten. Op grond van een nieuw uitonderhandelde overeenkomst zouden arbeidsexporterende landen waarschijnlijk een prikkel hebben om “free riders” en illegale emigratie aan banden te leggen, en zouden arbeidsimporterende landen de status van illegale immigranten die zich al binnen hun grenzen bevinden beter kunnen regelen.

Eén voor de hand liggend bezwaar tegen dit voorstel is dat laaggekwalificeerde arbeid méér zal gaan kosten, wat de automatisering zou kunnen versnellen. Maar de werkgelegenheid in de productiesector die ten prooi zou vallen aan de automatisering zou eenvoudigweg verhuizen naar de vrijetijdssector, omdat de vraag naar huishoudelijke arbeid, obers, tuinmannen en dergelijke zou toenemen. Omdat een kartel deze marktveranderingen transparanter zou maken, zouden arbeidsexporteurs tijdig kunnen reageren door hun opleidingssystemen aan te passen, zodat de arbeids-importeurs migrantenarbeiders in dienst kunnen nemen die beter zijn toegerust voor de beschikbare banen.

Support Project Syndicate’s mission

Project Syndicate needs your help to provide readers everywhere equal access to the ideas and debates shaping their lives.

Learn more

Alles bij elkaar zou een arbeids-exporterend kartel orde brengen in een sector die al lang vastzit in controverses, waardoor de reputatie van een aanzienlijk aantal arbeids-importerende landen is geschaad. Het zou de dynamiek van de vraag en aanbod van arbeid veranderen, ten gunste van zowel werknemers – die nieuwe bescherming zouden genieten – als de importerende landen, die toegang zouden verkrijgen tot goed opgeleide werknemers om beter te kunnen reageren op snelle veranderingen – vaak onder invloed van de technologie – in de economische omstandigheden.

Vertaling: Menno Grootveld