2

Hoe we de Afrikaanse Dust Bowl kunnen helpen

SEATTLE – Stel je een kleine boerderij voor onder een gloeiend hete zon. Het omringende land is getroffen door een intense droogte, de vooruitzichten voor de volgende oogst zijn somber, en het financiële stelsel ontbeert het vermogen om de boeren de leningen te geven die zij nodig hebben om er weer bovenop te komen. Dit scenario beschrijft het hedendaagse zuiden van Afrika, dat in de greep is van een gigantische droogte. Maar het beschrijft ook het oosten van Nebraska tijdens de “Dust Bowl”-jaren van begin jaren dertig – een periode die mijn familie heeft doorgemaakt.

Mijn vader, Ralph Raikes, was de eerste van zijn familie die is afgestudeerd aan de universiteit. Nadat hij voor Standard Oil in Californië had gewerkt, ging hij op bezoek op de boerderij van zijn ouders, terwijl hij op weg was naar Cambridge, Massachusetts, om zijn studie te vervolgen aan het MIT. Het zou er nooit meer van komen. Hij moest in Nebraska blijven en mijn grootvader helpen de familieboerderij te redden van de banken, die al een derde van het land in beslag hadden genomen.

De belangrijkste verandering die mijn vader doorvoerde, vond in zijn geest plaats: hij ging de boerderij niet als een noodzaak voor het eigen levensonderhoud zien, maar als een familiebedrijf. Hij wendde zich tot de Universiteit van Nebraska, waar hij was afgestudeerd, en kocht hybride maïs en andere verbeterde gewassen die de universiteit aan het ontwikkelen was. Vervolgens maakte hij schema's van de bemesting en de weersomstandigheden, wat destijds vrijwel nooit gedaan werd.

Mijn vader besefte dat hij het niet alleen af kon, en dat hij behoefte had aan betere toegang tot financiering. Dus hielp hij – aanvankelijk als klant, en later als adviseur en directeur – Farm Credit, een nationaal netwerk van coöperatieve banken, bij de pogingen plaatselijke boeren te helpen de Dust Bowl-jaren te doorstaan. Hij hielp ook de Nebraska Farm Business Association oprichten, die de data analyseerde die hij en zijn collega's hadden verzameld, zodat ze konden zien welke aanpak de beste resultaten opleverde. En hij werkte samen met mijn moeder, Alice, die de pluimveetak van het familiebedrijf runde.

Farm Credit en de laboratoria en kassen van de Universiteit van Nebraska kwamen voort uit de overheidsprogramma's in de Verenigde Staten, die in het leven waren geroepen om de prestaties van de landbouwsector te verbeteren. Die sector stond in 1933 onder water; omdat destijds een kwart van de bevolking op boerderijen woonde, waren meer investeringen nodig. Dat jaar nam het Congres de eerste “landbouwwet” aan, de Agricultural Adjustment Act, die de investeringen in de landbouweconomie een steuntje in de rug gaf en de boereninkomens binnen twee jaar met 50% deed stijgen. De federale landbouwprogramma's behandelden boerderijen als ondernemingen en stelden zakenmensen als mijn vader in staat daarvan te profiteren.

Tachtig jaar later moeten Afrikaanse boeren dezelfde slag maken, door hun op het eigen levensonderhoud gerichte boerderijen te gaan zien als familiebedrijven. En net als mijn vader tijdens de Dust Bowl-jaren hebben zij daarvoor nieuwe middelen tot hun beschikking: een breed scala aan nieuwe zaden en andere technologieën is ontwikkeld voor Afrikaanse familieboerderijen – met een omvang van 4 tot 5 acre of minder – om in het veld te gebruiken. In oktober ontving een groep wetenschappers de World Food Prize voor het produceren en verspreiden van een variëteit van de zoete aardappel die vitamine A aan het Afrikaanse dieet in de landen beneden de Sahara toevoegt; andere nieuwe zaadvariëteiten helpen boeren de oogst-verwoestende droogte te overleven.

Maar zoals uit een recent rapport van de Alliantie voor een Groene Revolutie in Afrika (AGRA) blijkt, moeten de overheidsinvesteringen de wetenschap volgen. De landbouw neemt bijna tweederde van de beroepsbevolking van het ten zuiden van de Sahara gelegen deel van Afrika voor zijn rekening, en in 2003 heeft de Afrikaanse Unie landen opgeroepen hun investeringen in de sector te verhogen naar een ambitieuze 10% van de overheidsuitgaven. Slechts dertien landen hebben gehoor gegeven aan deze oproep, maar hun investeringen – in onderzoek en ontwikkeling, diensten die boeren helpen hun voordeel te doen met nieuwe onderzoeksresultaten, krediet- en financieringsinitiatieven, grondstoffenbeurzen, en andere marketinginspanningen – hebben al resultaat afgeworpen. Die dertien landen hebben duidelijke verbeteringen ondergaan in hun landbouwproductie, hun bbp per hoofd van de bevolking, en hun voeding.

Overheidsinvesteringen maken de weg vrij voor investeringen door de particuliere sector, en dat zou alle verschil van de wereld kunnen maken voor de Afrikaanse boeren, die veel te lang op een te laag niveau actief zijn geweest. Slechts ongeveer 6% van de huishoudens op het platteland in het ten zuiden van de Sahara gelegen deel van Afrika ontvangt leningen van financiële instellingen. Bovendien mist bijna tweederde van de Afrikaanse landbouwgrond elementaire voedingsstoffen, en ontberen veel boeren de technische kennis en middelen om de vruchtbaarheid van hun land te herstellen, waardoor ze niet in staat zijn ten volle hun voordeel te doen met nieuwe technologieën. Afrikaanse boeren die nieuwe gewasvariëteiten verbouwen zien hun oogsten met slechts 28% stijgen, tegen 88% bij de boeren in Azië.

Mijn ouders zorgden ervoor dat al hun vijf kinderen konden afstuderen. Net als zij willen boeren in de hele wereld ervoor zorgen dat hun kinderen gezonde, welvarende levens leiden; en zij erkennen allemaal het belang van onderwijs. De boeren die ik in de hele wereld ben tegengekomen willen vaak alleen maar genoeg extra producten verkopen om hun gezondheidszorgrekeningen te kunnen betalen en hun kinderen hun schoolopleiding af te laten maken. Zij profiteren van kansen als die zich voordoen, en bereiden hun kinderen erop voor in de toekomst nog grotere winsten te oogsten.

Je hoopt dat een Amerikaans verhaal van economische vooruitgang, zoals dat van mijn familie, binnenkort ook een Afrikaans verhaal zal zijn. Nu zo veel nieuwe innovaties beschikbaar komen, hebben de Afrikaanse familieboeren er behoefte aan dat hun regeringen in de toekomst investeren. Als dat gebeurt zal hun toekomst er veel beter uitzien dan de stoffige en wanhopige werkelijkheid van vandaag.

Vertaling: Menno Grootveld