47

Waarom Duitsland moet leiden of opstappen

NEW YORK – Europa is al sinds 2007 in de greep van een financiële crisis. Toen het faillissement van Lehman Brothers de kredietwaardigheid van financiële instellingen in gevaar had gebracht, werden particuliere schulden vervangen door staatsschulden, waardoor een niet eerder ontdekte zwakte in het fundament van de euro aan het licht kwam. Door hun recht om geld (bij) te drukken over te dragen aan de Europese Centrale Bank (ECB) stelden de lidstaten van de eurozone zichzelf bloot aan het risico van een staatsbankroet, net als derdewereldlanden die kampen met zware schulden in buitenlandse valuta's. Banken die veel staatsobligaties van de zwakkere eurolanden op hun balans hadden staan, werden potentieel insolvabel.

Er is een parallel tussen de aanhoudende eurocrisis en de internationale bankencrisis van 1982. Destijds heeft het Internationale Monetaire Fonds het mondiale bankenstelsel gered door nét genoeg geld te lenen aan de met schulden overladen landen; staatsbankroeten konden vermeden worden, ten koste van een langdurige depressie. Latijns-Amerika kende een 'verloren' decennium.

Duitsland speelt nu dezelfde rol als het IMF in 1982. De omstandigheden zijn anders, maar de gevolgen zijn hetzelfde. Crediteuren schuiven de hele last van het aanpassingsproces af op de debiteurenlanden en ontlopen hun eigen verantwoordelijkheid.

De eurocrisis is een ingewikkelde mengeling van problemen rond de bankschulden en de staatsschulden. Daarnaast hebben verschillen in de economische prestaties van de lidstaten van de eurozone geleid tot onevenwichtigheden op het gebied van de betalingsbalansen. De Europese autoriteiten hebben de complexiteit van de crisis niet begrepen, laat staan een oplossing gezien. Daarom hebben ze geprobeerd tijd te winnen.

Normaal gesproken werkt dat ook. Financiële paniekgolven verdwijnen weer en de autoriteiten boeken dan winst op hun interventies. Maar ditmaal was daar geen sprake van, omdat de financiële problemen gepaard gingen met een proces van politieke desintegratie.

Toen de Europese Unie in het leven werd geroepen, was zij de belichaming van een open samenleving – een vrijwillige aaneensluiting van gelijkwaardige staten, die een deel van hun soevereiniteit opgaven voor het algemeen goed. De eurocrisis maakt van de Europese Unie nu iets fundamenteel anders en verdeelt de lidstaten in twee klassen – crediteuren en debiteuren – waarbij de crediteuren de eerste viool spelen.

Duitsland, het sterkste crediteurenland, is nu als leider naar voren getreden. De debiteurenlanden betalen aanzienlijke risicopremies ter financiering van hun staatsschulden. Dit wordt weerspiegeld in hun algemene financieringskosten. Om de zaken er nog erger op te maken blijft de Duitse Bundesbank trouw aan een achterhaalde monetaire doctrine, geworteld in Duitslands traumatische ervaringen met hyperinflatie. Als gevolg daarvan ziet de Bundesbank alleen de inflatie als een bedreiging van de stabiliteit en negeert zij de deflatie, wat vandaag de dag het echte gevaar is. Bovendien kan Duitslands eis van een bezuinigingskoers voor de debiteurenlanden makkelijk contraproductief worden doordat de verhouding van de staatsschulden tot het bruto binnenlands product oploopt terwijl het bbp daalt.

Er is een reëel gevaar dat een 'Europa van twee snelheden' een permanent fenomeen wordt. Het centrum trekt zowel mensen als financiële middelen naar zich toe, waardoor de periferie voorgoed in een depressie blijft steken. Maar de periferie kookt intussen van woede.

De Europese tragedie is niet het gevolg van een kwaadaardig complot, maar vloeit eerder voort uit het ontbreken van een samenhangend beleid. Net als in de klassieke Griekse tragedies hebben verkeerde ideeën en een gebrek aan begrip onbedoelde maar noodlottige gevolgen gehad.

Als grootste crediteurenland heeft Duitsland de touwtjes in handen, maar weigert het extra verplichtingen aan te gaan. Als gevolg daarvan is iedere kans om de crisis op te lossen gemist. De crisis heeft zich van Griekenland naar andere landen met een begrotingstekort verspreidt, en uiteindelijk het overleven van de euro zelf in twijfel getrokken. Omdat het uiteenvallen van de eurozone enorme schade zou veroorzaken doet Duitsland steevast het minimaal noodzakelijke om de zone bijeen te houden.

Onlangs heeft de Duitse bondskanselier Angela Merkel ECB-president Mario Draghi gesteund, waardoor Bundesbank-president Jens Weidmann in de kou kwam te staan. Dit zal het de ECB mogelijk maken paal en perk te stellen aan de leenkosten van landen die zich onderwerpen aan een bezuinigingsprogramma onder supervisie van de Troika (het IMF, de ECB en de Europese Commissie). Hierdoor zal de euro worden gered, maar het is ook een stap in de richting van een permanente verdeling van Europa in debiteuren- en crediteurenlanden.

De debiteurenlanden zullen een 'Europa-van-twee-snelheden' vroeg of laat afwijzen. Als de eurozone op chaotische wijze uiteenvalt, zullen de gemeenschappelijke markt en de Europese Unie worden vernietigd, waardoor Europa slechter af zal zijn dan toen de pogingen om het continent te verenigen van start gingen, als gevolg van een erfenis van wederzijds wantrouwen en vijandigheid. Hoe later de opsplitsing zal geschieden, des te erger de uiteindelijke uitkomst zal zijn. Het is dus tijd om alternatieven te onderzoeken die tot voor kort ondenkbaar zouden zijn geweest.

In mijn optiek zou het de beste aanpak zijn om Duitsland ervan te overtuigen te kiezen voor het leiding geven aan het de schepping van een politieke unie met échte lastendeling, of voor het opstappen uit de eurozone.

Omdat alle schulden in euro's worden gerekend, maakt het een groot verschil wie de baas blijft in de monetaire unie. Als Duitsland zou opstappen, zou de waarde van de euro omlaag gaan. De debiteurenlanden zouden hun concurrentiekracht terugkrijgen; hun schulden zouden in reële termen afnemen; de dreiging van staatsbankroeten zou – met de ECB onder hun controle – verdwijnen, en hun leenkosten zouden dalen naar een niveau dat vergelijkbaar is met dat van het Verenigd Koninkrijk.

De crediteurenlanden zouden daarentegen verliezen lijden op hun vorderingen en beleggingen in euro's, en te maken krijgen met sterkere concurrentie van andere lidstaten van de eurozone. De omvang van de verliezen van de crediteurenlanden zou afhangen van de omvang van de devaluatie van de euro, wat hen er een belang bij zou geven die waardedaling binnen bepaalde grenzen te houden.

Na de aanvankelijke ontwrichtingen zou het uiteindelijke resultaat beantwoorden aan de droom van John Maynard Keynes van een internationaal valutasysteem, waarin crediteuren en debiteuren de verantwoordelijkheid delen voor het behoud van de stabiliteit. En Europa zou ontsnappen aan de dreiging van een depressie.

Hetzelfde resultaat kan – met minder kosten voor Duitsland - worden bereikt, als Duitsland ervoor zou kiezen zich te gedragen als een vrijgevige leider. Dat zou inhouden dat de voorgestelde Europese bankenunie werkelijkheid moet worden; dat er een min of meer gelijkwaardig speelveld tussen debiteuren- en crediteurenlanden moet komen door de inrichting van een schuldenreductiefonds; dat uiteindelijk alle schulden worden omgezet in 'Eurobonds'; en dat wordt gemikt op een nominale bbp-groei van 5%, zodat Europa zich een weg kan groeien uit de buitensporige schuldenlasten.

Of Duitsland nu besluit om te leiden of te vertrekken, beide opties zijn beter dan het in het leven roepen van een op de langere duur onhoudbaar 'Europa-van-twee-snelheden.'

Vertaling: Menno Grootveld