2

Waardoor zijn we de grip op Griekenland kwijtgeraakt?

BRUSSEL – De schuldvraag is in Europa nog niet aan de orde. Dankzij een akkoord tussen Griekenland, zijn private schuldeisers en zijn publieke kredietverschaffers kan het land op 20 maart de volgende schuldaflossingstermijn nakomen. De Europeanen verdienen een pluim omdat zij een belangrijke stap in de richting van realiteitszin gezet hebben. Private schuldeisers hebben een afwaardering van meer dan 50% op hun vorderingen en een verlaging van de rentevergoeding geaccepteerd, waarmee de totale schuldverlichting op meer dan twee derde uitkomt.

Weliswaar is er ternauwernood een oplossing gevonden, maar velen menen dat de ‘dag des oordeels’ daarmee alleen maar uitgesteld is: Griekenland gaat volgens hen de beloofde bezuinigingen toch niet uitvoeren om uiteindelijk ofwel zelf te besluiten om uit de eurozone te stappen, of na een uiteindelijk bankroet uit de muntunie te worden gezet.

Zelfs al voordat het meest recente akkoord gesloten was, vroegen Nederlandse, Finse en sommige Duitse politieke leiders zich openlijk af waarom Griekenland eigenlijk nog in de euro zou moeten blijven. In Athene bereikte de ergernis een nieuw hoogtepunt en kwam de verbitterdheid gevaarlijk dicht in de buurt van de woede in de jaren twintig over de Duitse repatriëringen.

“Waardoor zijn we de grip op China kwijtgeraakt?” (“Who lost China?”) vroegen Amerikaanse strategen zich in de jaren vijftig af na de overwinning van de communisten van Mao Zedong in 1949. De Europeanen gaan zichzelf met betrekking tot Griekenland mogelijk spoedig dezelfde vraag stellen.

Vanzelfsprekend vormen de Grieken zelf de grootste boosdoeners. De lamlendigheid van hun politici is naar een nieuw dieptepunt gezonken. Als gevolg van cliëntisme is het regeringssysteem vleugellam. Het land neemt op de wereldwijde corruptie-index van Transparency International een tachtigste plaats in. En in september 2011 had het Griekse ministerie van Financiën nog slechts 31 van de voor het gehele jaar beloofde 75 belastingcontroles onder de meest verdienende Grieken uitgevoerd.

Maar het zou te gemakkelijk zijn om het daarbij te laten en de rest van Europa vrij te spreken. De eerste fout die Europese functionarissen gemaakt hebben, was om maanden te talmen en daarna met niet meer dan een onrealistisch hulpprogramma te komen waarmee Griekenland in 2013 naar de kapitaalmarkten zou kunnen terugkeren. Inmiddels is duidelijk geworden dat het meerdere, wellicht zelfs wel tien jaren gaat kosten om de economie te hervormen en de onevenwichtigheden te herstellen.

De tweede fout die Europa maakte, was dat het met onsamenhangende maatregelen op de solvabiliteitscrisis reageerde. Twee strategieën waren mogelijk: ofwel een vroegtijdige vermindering van de Griekse staatsschuld waardoor de solvabiliteit snel zou herstellen, ofwel collectivering van de Griekse schuld om zodoende de collectieve reputatie van alle eurolanden in stand te houden. Beide strategieën zouden coherent zijn geweest, maar Duitsland en Frankrijk kwamen een mix van beide overeen, waardoor de samenhang ontbrak. Onder het mom dat Griekenland solvabel was, leenden de Duitsers en de Fransen geld uit tegen zeer hoge rentes. Daardoor werd de situatie alleen maar erger. Het duurde 18 maanden voordat van dit beleid werd afgestapt.

De derde fout was dat de prioriteiten verkeerd werden gelegd. Al aan het begin van de crisis constateerde het Internationaal Monetair Fonds dat er twee problemen speelden: zwakke overheidsfinanciën en een ernstig verlies van concurrentiekracht. Helaas richtten de beleidsmakers zich vooral op het eerste probleem, zonder blikken of blozen hopend dat het tweede probleem door de structurele hervormingen opgelost zou worden. Vervolgens staken de Griekse autoriteiten het grootste deel van hun schrale politieke krediet in begrotingsaanpassingen in plaats van in het opbouwen van een concurrerende economie.

Het programma waaraan nu de laatste hand wordt gelegd, gooit de prioriteiten echter om. Concurrentiekracht en groei zijn nu belangrijker dan afronding van de begrotingsconsolidatie. De vraag blijft echter waarom dit besluit twee jaar op zich liet wachten.

Ten vierde is er nog niets wezenlijks aan de groei gedaan. Een aanpassingsprogramma lijdt onvermijdelijk tot een recessie, maar hoeft geen belemmering te vormen om het instrumentarium voor een economisch herstel te mobiliseren. In principe zou Griekenland in aanmerking zijn gekomen voor een grote som aan regionale steun uit de begroting van de Europese Unie. Hier werd echter weinig gebruik van gemaakt omdat de lokale co-financiering ontbrak. Pas de afgelopen zomer werd onderkend – en toen zelfs nog in bescheiden mate – dat deze steun gebruikt kan worden om het economisch herstel te ondersteunen.

De laatste fout die Europa maakte, was dat het zich wat een redelijke lastenverdeling betreft nogal onverschillig opstelde. Het is begrijpelijk dat het IMF, een technocratisch instituut, alleen maar door een macro-economische bril kijkt. Maar de EU is een politieke orgaan dat het bestrijden van sociale onrechtvaardigheid als een van haar fundamentele doelstellingen heeft. De EU kan toch geen verlaging van het minimumloon verlangen, terwijl zij ondertussen minder belang hecht aan belastingontduiking in het hoogste inkomensdeciel waardoor een kwart van de totale belastinginkomsten wordt misgelopen?

Anders dan veel gemakkelijke kritiek doet vermoeden, kan Europa niet verweten worden dat het bezuinigingen aan de Grieken heeft opgelegd. Dat is nu eenmaal de noodzakelijke tegenhanger van een grote financiële steuninspanning. Een land met dergelijke enorme onevenwichtigheden dient onvermijdelijk aan een uitermate strikt regime onderworpen te worden.

Europa kan echter wel voor de voeten geworpen worden dat het met een programma is gekomen dat aanvankelijk te laat kwam en slecht ontworpen, onevenwichtig en onrechtvaardig is. Mocht op een dag de vraag rijzen waardoor we de grip op Griekenland kwijtgeraakt zijn, dan kunnen velen als schuldige aangewezen worden.

Vertaling: Willemien Rijsdijk