15

Hoofdbrekens over de Amerikaanse vennootschapsbelasting

BERKELEY – Van alle ontwikkelde landen kennen de Verenigde Staten vandaag de dag het hoogste tarief voor de vennootschapsbelasting. Zelfs als met talrijke aftrekposten, heffingskortingen en fiscale vrijstellingen rekening wordt gehouden, blijft het effectieve marginale tarief – het tarief dat in de VS voor nieuwe bedrijfsinvesteringen geldt – een van de hoogste in de wereld.

In een wereld waarin kapitaal mobiel is, is de hoogte van de vennootschapsbelasting een factor van betekenis. De besluitvorming over hoe en waar geïnvesteerd wordt, wordt in toenemende mate door nationale belastingverschillen bepaald. Het relatief hoge tarief in de VS moedigt Amerikaanse bedrijven aan om hun investeringen, productie en werkgelegenheid naar het buitenland te verplaatsen, terwijl buitenlandse bedrijven ontmoedigd worden om zich in de VS te vestigen. Dit vertaalt zich in een tragere groei, minder banen, kleinere productiviteitswinsten en lagere reële lonen.

De algemene opvatting luidt dat de vennootschapsbelastingdruk vooral door de kapitaalbezitters wordt gedragen in de vorm van lagere rendementen. Naarmate kapitaal echter mobieler wordt, komt die druk steeds meer op de schouders van relatief immobiele werknemers te liggen in de vorm van lagere lonen en minder werkgelegenheid. Overal ter wereld hebben landen daarom hun vennootschapsbelasting verlaagd. Dit heeft tot een “wedloop naar de bodem” geleid, als weerklank van een steeds heviger wordende wereldwijde concurrentiestrijd om kapitaal en technische knowhow ter ondersteuning van lokale banen en lonen.

Innovatieve financiële transacties en juridische belastingontwijkingsmechanismen zorgen er bovendien voor dat een hoog vennootschapsbelastingtarief een ondoelmatig en duur instrument is om inkomsten mee te genereren. De juridische vestigingsplaats van een bedrijf en het land waar de winst valt, kunnen gemanipuleerd worden en dat gebeurt dan ook. Met name in sectoren waar immateriële activa en kennis de concurrentiepositie bepalen – sectoren die voor de concurrentiekracht van de Amerikaanse economie van groot belang zijn – zijn de prikkels en de mogelijkheden voor manipulatie groot.

Er bestaat op dit gebied geen nauwe en brede internationale samenwerking. De Verenigde Staten moeten dus gewoon meedoen met de wedloop en de vennootschapsbelasting verlagen. Een lager tarief biedt meer fiscale prikkels om in de VS te investeren en banen te creëren en minder prikkels om belasting te ontwijken. Ook zouden hierdoor talloze verstorende invloeden verdwijnen die de Amerikaanse belastingregels minder doelmatig maken: denk aan het aanzienlijke belastingvoordeel dat schuldfinanciering boven financiering met eigen vermogen biedt, of dat bijvoorbeeld eenmanszaken ten opzichte van vennootschappen genieten.

Daar staat tegenover dat ieder procentpunt verlaging van de vennootschapsbelasting tot een daling van de federale inkomsten met zo’n USD 12 miljard per jaar leidt. Deze inkomstenderving kan echter gecompenseerd worden: enerzijds door de aftrekposten te beperken - aftrekmogelijkheden, heffingskortingen en andere speciale belastingregelingen waarmee bepaalde economische activiteiten gesubsidieerd en andere ontmoedigd worden – en anderzijds door de grondslag voor de vennootschapsbelasting te verbreden. Dergelijke voorstellen om een verlaging van de vennootschapsbelasting uit vermindering van de aftrekposten te financieren, vinden we niet alleen terug in het plan van president Obama voor de hervorming van de vennootschapsbelasting, maar ook in het Simpson-Bowles plan ter vermindering van het begrotingstekort.

Aftrekposten hollen de belastinggrondslag uit, verhogen de kosten van aangifte en verstoren beslissingen over investeringsprojecten: hoe ze gefinancierd dienen te worden, welke organisatievorm het beste is en waar geproduceerd dient te worden. Michael Greenstone en Adam Looney laten in een zojuist verschenen rapport zien dat de verschillen in effectieve belastingvoeten die uit dergelijke investeringsbeslissingen voortvloeien voor uiteenlopende bedrijfsactiviteiten aanzienlijk zijn.

Dat neemt niet weg dat een verbreding van de belastinggrondslag ter financiering van een lager tarief contraproductief kan werken als de hervorming van de vennootschapsbelasting tot doel heeft om de investeringen en de banencreatie aan te zwengelen. Het dichten van “mazen in de wet” waarvan specifieke sectoren profiteerden (denk aan belastingvrijstellingen voor de olie- en gassector of voor bedrijfsvliegtuigen) zou namelijk niet genoeg opleveren om een betekenisvolle tariefsverlaging te kunnen financieren. En het inperken van aftrekposten zoals versnelde afschrijvingsmogelijkheden, aftrek voor binnenlandse fabricage en heffingskortingen voor R&D – samen goed voor zo’n 80% van alle zakelijke aftrekposten – zou aanzienlijke verschuivingen van activiteiten tot gevolg hebben.

Sterker nog, het schrappen van deze posten om een verlaging van de vennootschapsbelasting te “financieren” zou uiteindelijk tot gevolg kunnen hebben dat de economische bedrijvigheid in de VS alleen maar zwaarder belast wordt. Het schrappen van versnelde afschrijvingen op apparatuur zou ertoe leiden dat de effectieve belastingdruk op nieuwe investeringen toeneemt, terwijl het intrekken van de aftrek voor binnenlandse productie tot een hogere effectieve belastingvoet voor Amerikaanse fabrikanten zou leiden. Evenzo zou het afschaffen van de heffingskorting op R&D een daling van de investeringen in innovatie tot gevolg hebben.

De Verenigde Staten moeten daarom het mes niet zetten in fiscale investeringsprikkels die hun nut bewezen hebben. In plaats daarvan moet minstens een deel van de gederfde inkomsten als gevolg van een lagere vennootschapsbelasting goedgemaakt worden door aandeelhouders van bedrijven zwaarder te belasten. Dat is het pad dat de meeste landen volgden die hun vennootschapsbelastingtarief verlaagd hebben. De Verenigde Staten hebben echter het tegenovergestelde gedaan.

In de VS ligt de belasting op dividend en koerswinst op het historisch lage niveau van 15%, terwijl het aandeel van de bedrijfswinsten in het nationaal inkomen juist op het hoogste punt ooit staat. Zij die een lage belasting voor kapitaalbezitters verdedigen, betogen dat op deze wijze de “dubbele” belastingheffing over de winst – eerst bij het bedrijf en daarna bij de aandeelhouder –geminimaliseerd wordt. Een lagere vennootschapsbelasting maakt deze rechtvaardiging echter minder sterk. Bovendien betalen non-profit organisaties en beheerders van pensioenregelingen en oudedagsvoorzieningen, die samen zo’n 50% van alle bedrijfsdividenden ontvangen, geen belastingen over deze inkomsten, terwijl zij wel van een lager vennootschapsbelastingtarief zouden profiteren.

Alhoewel individuele belastingheffing op bedrijfswinsten tot een lager netto rendement leidt, is de verstorende invloed daarvan op de keuze van de investeringslocatie minder groot dan bij de vennootschapsbelasting. Bovendien drukt de dividendbelasting waarschijnlijk eerder op kapitaalbezitters dan op werknemers. Het is voorts veel gemakkelijker om belastingen te innen bij individuele burgers en in de VS wonende aandeelhouders dan bij multinationale bedrijven. Apple kan gebruikmaken van geavanceerde technieken om de plaats waar de bedrijfswinst valt te manipuleren. Maar Amerikaanse staatsburgers die aandelen Apple in bezit hebben, dienen dividenden en koerswinsten op deze aandelen gewoon bij hun wereldwijde inkomsten op te geven.

Een recente studie heeft aangetoond dat het mogelijk is om een verlaging van de vennootschapsbelasting van 35% naar 26% te financieren, en wel door koerswinst en dividend als gewoon inkomen te gaan belasten tegen een maximaal belastingtarief van 28% over de koerswinst op effecten die langer dan een jaar aangehouden zijn (het tarief van vóór 1997). Hierdoor zouden bedrijven minder aangemoedigd worden om investeringen naar het buitenland te verplaatsen of winsten naar rechtsgebieden met lage belastingen door te schuiven. Tegelijkertijd zou de progressiviteit van de belastingheffing toenemen omdat de belastingdruk wat meer verschoven wordt van werknemers naar kapitaalbezitters.

Veel Amerikaanse kiezers vinden het een goed idee om het tarief van de vennootschapsbelasting juist te verhogen. Bedrijven dragen naar hun mening niet evenredig aan de belastinginkomsten bij en deze kiezers maken zich bovendien zorgen over de steeds groter wordende inkomensongelijkheden. In een wereld waarin kapitaal mobiel is, zou het echter een slechte zet zijn om inkomsten te genereren via verhoging of gewoonweg handhaving van de vennootschapsbelasting: niet alleen omdat de progressiviteit van het belastingsysteem daardoor niet toeneemt, maar ook omdat de Amerikaanse werknemer daarmee allesbehalve geholpen is.

Vertaling: Willemien Rijsdijk