25

Het ‘euro-imperium’: zonder vooropgezet plan ooit ontstaan

NEW YORK – De eurolanden hebben het alleenrecht om geld te drukken aan de Europese Centrale Bank overgedragen en dat blijkt inmiddels de voornaamste oorzaak van de eurocrisis te zijn. De eurolanden begrepen destijds echter niet wat die overdracht feitelijk betekende: de Europese autoriteiten wisten dat evenmin.

Toen de euro werd ingevoerd, mochten banken van toezichthouders ongelimiteerde hoeveelheden staatsobligaties kopen zonder enig vermogensbeslag daartegenover. De ECB accepteerde bovendien alle staatsobligaties uit de eurozone tegen gelijke voorwaarden als onderpand. Voor commerciële banken was het daardoor aantrekkelijk om obligaties van zwakkere landen op te kopen om zo een paar extra basispunten te verdienen. De rentestanden in de eurozone kropen hierdoor naar elkaar toe. Duitsland, dat nog met de last van de Duitse eenwording worstelde, voerde ondertussen structurele hervormingen door en werd concurrerender. Andere landen, waar de huizenmarkten en consumentenbestedingen dankzij goedkope kredietverlening floreerden, verloren echter aan concurrentiekracht.

Toen kwam de krach van 2008. Overheden moesten hun banken redden. Sommige landen stonden ineens in de schoenen van een ontwikkelingsland: overladen met schulden, in een munt waarover zij geen zeggenschap hadden. De uiteenlopende economische prestaties brachten in Europa een tweedeling teweeg in kredietverstrekkende en kredietontvangende landen.

De financiële markten ondervonden vervolgens dat ook risicovrij geachte staatsobligaties in een wanbetalingssituatie terecht konden komen, waarop de risicopremies fors toenamen. Commerciële banken die zich met dergelijke obligaties hadden volgeladen, dreigden bankroet te gaan. Dit alles vormde de opmaat voor de dubbele staatsschulden- en bankencrisis in Europa.

Zoals het wereldwijde financiële systeem met dergelijke crises in 1982 en opnieuw in 1997 omging, zo gaat de eurozone nu ook te werk. Toen legden de internationale autoriteiten harde maatregelen op aan de ‘periferie’ om de ‘kern’ te beschermen; thans speelt Duitsland onbewust diezelfde rol.

Ook al waren de details toen anders, het idee is nog steeds hetzelfde: schuldeisers schuiven ook nu de gehele aanpassingslast op de schouders van de schuldenlanden, terwijl de ‘kern’ zijn eigen verantwoordelijkheid voor de onevenwichtigheden ontloopt. Is het niet interessant hoe de termen ‘kern’ en ‘periferie’ daarbij vrijwel ongemerkt in ons taalgebruik zijn terechtgekomen? De verantwoordelijkheid van de kernlanden is ditmaal, tijdens de eurocrisis, echter nog groter dan in 1982 of 1997: juist de kernlanden hebben immers een ondeugdelijk valutasysteem ontworpen en de fouten niet hersteld. Latijns-Amerika moest zich in de jaren tachtig door een verloren decennium heen worstelen; een soortgelijk lot staat Europa nu ook te wachten.

Aan het begin van de crisis was het nog ondenkbaar dat de euro uiteen zou vallen: alle bezittingen en schulden luidden immers in een gemeenschappelijke munt en waren zo verweven geraakt dat opheffing van de euro tot een oncontroleerbare ineenstorting zou leiden. Naarmate de crisis echter vordert, wordt er een steeds duidelijkere herordening van het financiële systeem langs nationale grenzen zichtbaar, een ontwikkeling die vooral de afgelopen maanden aan kracht heeft gewonnen. De langlopende herfinancieringsoperatie van de ECB stelde Spaanse en Italiaanse banken in staat om obligaties van hun eigen landen op te kopen om zo een forse renteopslag op te strijken. Ondertussen gaven banken er de voorkeur aan om bezittingen buiten hun landsgrenzen af te stoten, terwijl risicomanagers trachtten om activa en verplichtingen vooral op hun thuismarkt te matchen in plaats van binnen de eurozone als geheel.

Als dit nog een paar jaar zo doorgaat, kan de euro zonder volledige economische ineenstorting opgeheven worden. Wel zouden de crediteurenlanden dan met moeilijk inbare, grote schuldvorderingen op de debiteurenlanden blijven zitten. Zo had de Bundesbank op 30 april, naast alle intergouvernementele overdrachten en garanties, binnen het Target2-clearing systeem ook nog eens EUR 644 miljard (USD 804 miljard) aan vorderingen op centrale banken van perifere landen uitstaan. En door kapitaalvlucht neemt dat bedrag nog steeds exponentieel toe.

De crisis dijt dus alleen maar verder uit, terwijl de spanningen op de financiële markten nieuwe hoogtepunten bereiken. Het meest veelzeggend is in dit verband het renteniveau in Groot-Brittannië. In dit land, dat de zeggenschap over zijn munt niet uit handen heeft gegeven, staat de obligatierente op het laagste niveau ooit, terwijl de risicopremie op Spaanse obligaties nooit eerder zo hoog is geweest.

De reële economie van de eurozone kampt met krimp, terwijl Duitsland floreert: dus worden de verschillen alleen maar groter. De desintegratie wordt ook door de politieke en sociale dynamiek in de hand gewerkt. Recent verkiezingsuitslagen laten zien dat de publieke opinie zich steeds sterker tegen bezuinigingsmaatregelen verzet, een trend die waarschijnlijk doorzet totdat het beleid wordt teruggedraaid. Het is buigen of barsten.

Naar mijn mening hebben de autoriteiten nog zo’n drie maanden de tijd om hun fouten te herstellen en de huidige trends te laten omslaan. Om naar normalere omstandigheden terug te keren, moeten er echter wel enkele buitengewone beleidsmaatregelen getroffen worden die binnen de bestaande verdragen passen. Later, in rustiger vaarwater, kunnen de verdragen herzien worden om te voorkomen dat de onevenwichtigheden weer terugkeren.

Uitgaande van deze strikte voorwaarden is het moeilijk, maar niet onmogelijk om buitengewone maatregelen te vinden. De bank- en staatsschuldproblemen moeten immers tegelijkertijd aangepakt worden, zonder te vergeten dat de verschillen in concurrentiekracht ook gereduceerd dienen te worden.

De eurozone heeft een bankunie nodig: met niet alleen een Europees depositogarantiestelsel om de kapitaalvlucht te stuiten en een Europese financieringsbron voor herkapitalisatie van banken, maar ook met toezicht en regelgeving op eurozonebrede schaal. Bovendien moeten de financieringskosten voor landen met een zware schuldenlast verlicht worden. Dat alles is op diverse manieren mogelijk, maar steeds zal de actieve steun van Duitsland onontbeerlijk zijn.

En precies daar loopt het spaak. De Duitse autoriteiten zijn koortsachtig bezig om nog vóór de EU-top van eind juni een aantal voorstellen te presenteren. Alle tekenen wijzen er echter op dat zij slechts het minimale zullen aanbieden waarover de diverse partijen het eens kunnen worden. En dat zou betekenen dat opnieuw slechts tijdelijk verlichting wordt geboden.

We bevinden ons echter op een keerpunt. De Griekse crisis bereikt dit najaar waarschijnlijk een climax, ook als de verkiezingen wél een regering opleveren die de huidige overeenkomst met de schuldeisers wil naleven. Tegen die tijd laat ook de Duitse economie waarschijnlijk een afzwakking zien. Dat maakt het voor kanselier Angela Merkel nóg moeilijker dan het nu al is om het Duitse publiek ervan te overtuigen dat Duitsland extra Europese verantwoordelijkheden op zich moet nemen.

Calamiteiten zoals het faillissement van Lehman Brothers voorbehouden, zal Duitsland waarschijnlijk nét genoeg ondernemen om de eurolanden bij elkaar te houden. De open maatschappij die eens zo tot de verbeelding sprak, zal de EU echter niet meer worden. De tweedeling tussen debiteuren- en crediteurenlanden wordt permanent, waarbij Duitsland domineert en de periferie een noodlijdend achterland wordt.

Onvermijdelijk zal dit achterdocht wekken over de rol van Duitsland in Europa – al is iedere vergelijking met het Duitse verleden volkomen ongepast. De huidige situatie vloeit immers niet voort uit een vooropgezet plan, maar juist uit het ontbreken daarvan. Het is één groot beleidsfoutendrama. Duitsland is een goed functionerende democratie waar de overweldigende meerderheid van de bevolking voorstander is van een open maatschappij. Zodra de Duitsers zich echter realiseren wat de consequenties zijn – laten we hopen dat dat niet te laat zal zijn – zullen zij de weeffouten in het euro-ontwerp zeker willen herstellen.

Wat de eurozone nodig heeft, is dus duidelijk: een bankunie en een Europese begrotingsautoriteit die de schuldenlast van de periferie kan en wil verminderen. Verlichting van de schuldenlast is op vele manieren mogelijk, niet alleen via euro-obligaties. Wel geldt als voorwaarde dat schuldenlanden zich aan het begrotingspact houden. Het geheel of gedeeltelijk intrekken van steunmaatregelen aan landen die zich niet de voorwaarden houden, zou een krachtige beschermingsmaatregel zijn tegen het onbedoeld belonen van onverantwoord gedrag (‘moral hazard’). Het is nu aan Duitsland om de leiderschapsverantwoordelijkheden waar te maken waar het land door eigen succes mee opgezadeld is.

Vertaling: Willemien Rijsdijk