5

Het einde van de euro of juist het begin?

BRUSSEL – Toen de euroarchitecten eind jaren tachtig hun eerste plannen voor de vorming van een eenheidsmunt schetsten, kwamen economen al met waarschuwingen: er was meer nodig dan alleen een onafhankelijke centrale bank en een raamwerk voor begrotingsdiscipline om een monetaire unie levensvatbaar te maken. De ene na de andere studie wees vervolgens op haken en ogen, zoals ontwikkelingsasymmetrieën in het toekomstige eurogebied, de mogelijke ontoereikendheid van een uniform monetair beleid, de zwakheden van transmissiekanalen zonder grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit en de noodzaak van een soort begrotingsunie met verzekeringsmechanismen om in problemen verkerende landen te kunnen helpen.

Er waren ook niet-economische bedenkingen. Volgens veel waarnemers zou de bevolking van de Europese Unie monetaire handboeien alleen binnen een gedeelde politieke gemeenschap accepteren. Hans Tietmeyer, de voormalige president van de Bundesbank, citeerde in dit verband graag de Franse filosoof Nicolas Oresme die al in de Middeleeuwen schreef dat “het geld niet enkel aan de prins toebehoort, het is tevens van de gemeenschap.” De vraag luidde derhalve door welke politieke gemeenschap de euro ondersteund zou worden.

De waarschuwingen van sommigen waren ingegeven door diepgewortelde twijfel over de Europese monetaire eenwording. Anderen wilden slechts aangeven dat Europa voor de wateren die het wilde verkennen een beter toegerust en steviger vaartuig nodig had. De boodschap van de critici was klip en klaar: nationale overheden moesten hun economieën vormen naar het keurslijf van een monetaire unie; de euro had de steun van een grotere economische integratie nodig; en een gemeenschappelijke munt verlangde politieke legitimiteit – dat wil zeggen, een staatsbestel.

De toenmalige leiders – in het bijzonder de Duitse kanselier Helmut Kohl en de Franse president François Mitterrand en zijn opvolger Jacques Chirac – zijn uiteindelijk met een niet zeewaardig schip uitgevaren. Op het economische front wisten zij slechts overeenstemming te bereiken over het ‘casco’ van een economische en monetaire unie, uitgaande van monetaire oprechtheid en de niet afdwingbare belofte van begrotingsdiscipline. Op het politieke front werd helemaal geen overeenstemming bereikt: de vorming van een Europees staatsbestel bleef uit.

Enkelen, zoals de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors, wonden er in die tijd geen doekjes om hoe zij deze smalle basis betreurden. De politieke weerstand vierde hoogtij. De architecten van de euro waren echter niet naïef: zij wisten dat hun geesteskind nog niet voldragen was. Zij veronderstelden echter dat de monetaire eenwording in de loop der tijd een impuls zou geven aan nationale hervormingen, voortgaande economische integratie en een bepaalde vorm van politieke eenwording. Volgens die stapsgewijze benadering was de EU immers ook vanuit haar bakermat opgebouwd: de gemeenschap voor kolen en staal uit de jaren vijftig. Daarom verwachtten maar weinig voorstanders van de euro destijds dat er na de lancering géén aanmerkelijke veranderingen zouden plaatsvinden.

Die veronderstelling bleek echter niet juist. Vanaf de ondertekening van het Verdrag van Maastricht in 1992 tot de tiende verjaardag van de euro in 2009 bleef de verwachte impuls om een gemeenschappelijk Europees staatsbestel te creëren geheel uit.

Sterker nog, maar weinig landen hebben de moeite genomen om een door de euro geïnspireerde agenda van economische hervormingen te formuleren, laat staan te implementeren. Nadat de verantwoordelijkheid voor het monetaire beleid aan de Europese Centrale Bank was gedelegeerd, stuitte ieder nieuw plan voor een verdere overdracht van soevereiniteit op felle tegenstand. In 2005 werd nog een schuchtere poging ondernomen om via een constitutioneel verdrag naar politieke integratie toe te werken, maar dat werd door volksreferenda in Frankrijk en Nederland de grond ingeboord.

Tegen de verwachtingen in ging alles dus op de oude voet verder. Spoedig na de invoering van de euro in 1999 bleek dat het voorkeursscenario van de euroarchitecten niet gerealiseerd zou worden. Iedereen moest, zij het knarsetandend accepteren dat er niets meer dan een kale EMU-scheepsromp was.

Wat op basis van geleidelijke evolutie niet tot stand kwam, begint nu echter onder druk van crises vorm te krijgen. Na 2009 heeft Europa een mechanisme voor crisisbeheer en crisisaanpak in stelling gebracht waar het eerder niet eens over wilde praten. Tegelijkertijd komen overheden, genadeloos onder druk gezet door de obligatiemarkten, met hervormingen voor de arbeids- en productmarkten die slechts een paar kwartalen eerder nog als politiek onhaalbaar werden beschouwd.

Maar de obligatiemarkten willen meer. Iedere dag die verstrijkt vragen zij luider om antwoorden. Gaan de Europeanen de crisiskosten voor een deel gezamenlijk dragen? Schuldeisers van Griekenland (hoofdzakelijk te vinden in het eurogebied) hebben immers al een deel van de schuldenlast op zich genomen door met een gedeeltelijke schuldafstempeling in te stemmen. Mocht een ander land niet langer in staat zijn om de budgettaire kosten van de crisis te dragen, gaat dat dan ook een deel van de last in een of andere vorm op externe schuldeisers afwentelen?

Kan Europa, of een deel daarvan, bovenop alle overdrachten overeenstemming bereiken over de vorming van een bankunie (dat wil zeggen, ‘europanisering’ van het bankentoezicht, het depositogarantiestelsel en de crisisaanpak)? En kan Europa het eens worden over samenvoeging van belastinginkomsten zodat instituten op EU-niveau op geloofwaardige wijze voor financiële stabiliteit kunnen zorgen?

Deze vragen zijn essentieel voor de toekomst van de Europese eenheidsmunt. Europese leiders die deze vragen liever niet willen stellen, worden nu geconfronteerd met het ongemakkelijke vooruitzicht dat zij toch met antwoorden moeten komen – en wel zonder al te veel getalm.

Dat is de historische ironie: dat een omgeving van crisis Europa dwingt om keuzes te maken die het in rustiger vaarwater niet onder ogen wilde zien, laat staan het hoofd bieden. De Griekse schuldencrisis heeft een steunmechanisme afgedwongen. De Spaanse crisis dringt Europa mogelijk een bankunie op. En nu een Grieks uittreden uit de euro dreigt, moet Europa wellicht de knoop doorhakken hoe ver de begrotingsunie zal gaan.

Voor velen duiden de recente ontwikkelingen op ‘het begin van het einde’: de ondergang van de stoutmoedige creatie van de euroarchitecten. Maar stel dat de Europeanen de juiste antwoorden vinden: dan zouden de huidige crises op een dag ook als ‘het einde van het begin’ herinnerd kunnen worden.

Vertaling: Willemien Rijsdijk