12

Moet Europa de euro maar afzweren?

ROME – Je hoort steeds vaker voorspellingen dat de euro dezelfde weg zal gaan als de Gouden Standaard in de jaren dertig. En steeds vaker maken de redeneringen achter dergelijke voorspellingen een overtuigende indruk. Maar betekent dit dat de doempredikers gelijk zullen krijgen?

Na de beurskrach van 1929 werd Europa getroffen door een enorme deflatoire crisis. De productie stortte in en de werkloosheid rees de pan uit. Omdat ze het niet eens konden worden over gecoördineerde actie om de economie nieuw leven in te blazen, kozen regeringen ervoor unilateraal te werk te gaan. De een na de ander deden ze afstand van de Gouden Standaard en devalueerden ze hun munten. Door op deze manier de kredietmogelijkheden te versoepelen konden deze landen ieder op hun beurt van de Grote Depressie herstellen.

Vandaag de dag is Europa opnieuw getroffen door een enorme deflatoire crisis. Deze keer is de euro de factor die gezamenlijk optreden dwarsboomt. Overheden hebben geen nationale munt meer die ze kunnen devalueren, en kunnen de kredietverlening niet versoepelen, omdat ze het monetair beleid aan de Europese Centrale Bank hebben gedelegeerd. Als de werkloosheid opnieuw naar catastrofale hoogten stijgt, kunnen ze niets anders doen, zo wordt gezegd, dan eenzijdig uit de euro treden.

Ik heb hét boek over Europa en de Gouden Standaard geschreven. Letterlijk. In Golden Fetters: The Gold Standard and the Great Depression, verschenen in 1992, betoogde ik dat de deflatoire machine die de Gouden Standaard in feite belichaamde, de voornaamste oorzaak was van de depressie van de jaren dertig, en dat het afschaffen ervan de deur naar het herstel opende.

Toch aarzel ik om te geloven dat de zaken ditmaal dezelfde loop zullen nemen. Vier verschillen leiden me ertoe te veronderstellen dat de euro misschien zal overleven.

In de eerste plaats is het makkelijker een geschikt monetair antwoord te vinden als je de beschikking hebt over één centrale bank. Onder de Gouden Standaard zou het voor de centrale banken ook mogelijk zijn geweest om hun economieën weer nieuw leven in te blazen, als ze maar gezamenlijk waren opgetrokken. Helaas is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Centrale bankiers spreken verschillende talen. Zij kijken door verschillende lenzen naar de economische vooruitzichten.

Als de ECB nu doorslaggevende maatregelen zou nemen, zou zij de hele eurozone er weer bovenop kunnen helpen en kunnen voorkomen dat landen de noodzaak voelen om eenzijdig te handelen. Maar hoewel de ECB over deze mogelijkheid beschikt, blijft het de vraag of zij ook de wil heeft.

Een tweede verschil is dat de werklozen – ondanks recente bezuinigingen op de uitkeringen –tegenwoordig meer overheidssteun krijgen dan in de jaren dertig. Dit zorgt ervoor dat de populistische druk om de euro af te schaffen minder hevig is – waarbij het wel de vraag blijft hoeveel minder hevig, en of het politieke centrum die druk kan weerstaan.

Een derde verschil is dat de politieke voorwaarden voor een coöperatief antwoord vandaag de dag beter zijn. In 1931 weigerde Frankrijk de financiële crisis in Centraal Europa te helpen indammen omdat het dacht dat Duitsland zich aan het herbewapenen was, in strijd met het Verdrag van Versailles, dat aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was getekend. De politieke spanningen tussen Frankrijk en Duitsland kunnen de komende maanden en jaren zeker oplopen, na de overwinning van François Hollande bij de Franse presidentsverkiezingen, maar zij zullen beslist niet het niveau van destijds bereiken.

Bovendien zijn de Europese landen vandaag de dag bereid om heel ver te gaan om de euro te redden. Ze zijn bang dat de ondergang van de munt de gemeenschappelijke markt in gevaar zal brengen. Toen landen in 1931 begonnen de Gouden Standaard af te schaffen, waren er al tal van handelsbarrières opgetrokken. Er was dus geen gemeenschappelijke markt meer die nog beschermd moest worden.

Tenslotte was het afschaffen van de Gouden Standaard minder ontwrichtend dan het afschaffen van de euro zou zijn. De herintroductie van nationale munten zou nu op z'n minst een paar weken kosten, terwijl Groot-Brittannië het pond in 1931 in één weekend van het goud kon loskoppelen, toen de markten gesloten waren. Destijds hadden landen nog steeds nationale munten; ze konden eenvoudigweg ophouden die te ondersteunen. Bankdeposito's werden, net als de meeste andere particuliere en publieke schulden, gerekend in de nationale munt.

Tegenwoordig worden alle bezittingen en schulden in euro's gerekend. Als de nationale munten opnieuw zouden worden ingevoerd, om die vervolgens te kunnen devalueren, terwijl tegelijkertijd de waarde in euro's van andere financiële instrumenten ongemoeid zou worden gelaten, zouden de balansen verwoest worden en de financiële chaos om zich heen grijpen. Het alternatief – het omzetten van deze andere instrumenten in de nieuwe nationale munt – zou voor het betreffende land jarenlange rechtszaken met zich meebrengen.

Ieder van deze verschillen werpt twijfels op over de vraag of de euro de weg van de Gouden Standaard zal gaan. Maar een vijfde verschil wijst in een andere richting. In de jaren dertig konden landen niet samen optreden, omdat ze het niet eens konden worden over een diagnose van het probleem. Ieder van hen schreef de Grote Depressie toe aan andere oorzaken, wat hen ertoe bracht verschillende oplossingen te bedenken die ze eenzijdig toepasten.

De overeenstemming vandaag de dag over de diagnose maakt het makkelijker om gezamenlijk te reageren. Helaas zijn er steeds meer aanwijzingen dat het medicijn waarover de Europese landen het eens zijn geworden – bezuinigingen – dodelijk is voor de patiënt. Er wordt nu gesproken over het bijstellen van de dosering, maar al het gepraat heeft nog niet geleid tot handelend optreden.

Zullen de zaken ditmaal een andere loop nemen? Er is geen twijfel mogelijk dat de grotere samenwerking van tegenwoordig de euro goede perspectieven biedt. Maar alles hangt af van het exacte beleid waarover de Europese regeringen overeenstemming zullen bereiken.