2

Frankrijk en Nederland slaan terug

BRUSSEL – In 2005 stemden Frankrijk en Nederland tegen bij referenda over een constitutioneel verdrag voor de Europese Unie, waardoor jaren van integratiepogingen ongedaan werden gemaakt. Beide landen lijken op het punt te staan Europa opnieuw te gaan ontwrichten.

Op 21 april viel de Nederlandse coalitieregering, nadat gedoogpartner Geert Wilders van de rechts-populistische PVV weigerde de bezuinigingen te steunen die nodig waren om het begrotingstekort te beperken tot 3% van het bruto binnenlands product (bbp). De volgende dag haalden kandidaten die de Europese integratie willen terugdraaien één derde van de stemmen in de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen. Op 6 mei zal Frankrijk naar verwachting naar links overhellen en François Hollande tot president kiezen, die het in december op Duitse instigatie afgesproken begrotingspact ter discussie wil stellen en Europa heeft opgeroepen de groei te stimuleren.

Dit zijn de eerste schermutselingen in een debat dat voor Europa van levensbelang is en om twee belangrijke kwesties draait: bezuinigingen en integratie.

Laten we beginnen met de bezuinigingen. De vraag is hier niet zozeer of de tekorten moeten worden teruggebracht. Dat moet echt, gezien de slechte staat van de Europese overheidsfinanciën, en ook omdat de landen waarvan de concurrentiekracht tijdens de eerste tien jaar van de monetaire unie is verslechterd, hun begrotingen moeten afslanken om tot de noodzakelijke aanpassingen van lonen en prijzen te komen.

Eurozonelidstaten met ernstige onevenwichtigheden in hun handels- en betalingsbalans, die aan het begin van de crisis hebben geprofiteerd van liquiditeitsinjecties van de Europese Centrale Bank, blijken hun tekorten veel minder te hebben gereduceerd dan niet-eurolanden die in een vergelijkbare situatie verkeerden. Duitsland, de grootste pleitbezorger van bezuinigingen, heeft op dit punt gelijk.

Het probleem is dat de bezuinigingen perverse gevolgen hebben. Het is niet goed mogelijk om zowel de particuliere als de publieke sector op hetzelfde moment hun schulden te laten terugdringen, tenzij de handelspartners voor vraag naar exporten zorgen. Door de recessie en de prijsdeflatie lopen de belastinginkomsten terug en verergert de dynamiek van de staatsschuld, waardoor de terugkeer naar een houdbaar niveau daarvan wordt gedwarsboomd. Bovendien zetten de doelstellingen om de tekorten te reduceren de overheden ertoe aan op recessies te reageren met nóg zwaardere bezuinigingen, over het algemeen met weinig oog voor de negatieve gevolgen voor de aanbodzijde.

Het is dus nodig de bezuinigingen en het zoeken van een nieuw evenwicht strategisch te benaderen. En op dit punt heeft de Europese Unie drie fouten gemaakt.

In de eerste plaats probeerden de ministers van Financiën de markten vorig jaar oktober gerust te stellen door hardheid tentoon te spreiden en starre, in plaats van aan de conjunctuurcyclus aangepaste begrotingsdoeleinden af te spreken. Dit kan gerechtvaardigd zijn in het geval van een land dat op het punt staat de toegang tot de kapitaalmarkten te verliezen, maar is dat niet voor een land met een betrekkelijk lage staatsschuld en een bescheiden tekort. De ministers zouden van koers moeten veranderen en terug moeten keren naar hun oorspronkelijke belofte van 2009 om consolidatie-inspanningen te leveren en daaraan vast te houden, ondanks alle fluctuaties en schokken die zich nog kunnen voordoen.

In de tweede plaats schrikt de eurozone nog steeds weg voor een samenhangende aanpak van het op orde brengen van zijn interne evenwicht. Prijsconcurrentie is een relatief concept en geen absolute waarde, maar de beleidsdiscussie gaat nog steeds voorbij aan dit fundamentele gegeven. Dit is paradoxaal, omdat het beleidskader van de ECB duidelijke richtlijnen biedt. De ECB heeft zich vastgelegd op een inflatiedoelstelling van 2% voor de eurozone als geheel, wat impliceert dat lagere loon- en prijsstijgingen in Zuid-Europa automatisch hogere loon- en prijsstijgingen in Noord-Europa zouden moeten inhouden. Hoe groter de kloof tussen de twee, des te sneller een nieuw evenwicht zal worden bereikt.

Het is tijd om luid en duidelijk te zeggen dat de ECB hard haar best zal doen om de gemiddelde inflatie op peil te houden, en dat Noord-Europa – met name Duitsland – niet zal trachten een hogere binnenlandse inflatie tegen te gaan zolang de prijsstabiliteit in de hele eurozone overeind blijft. Dit zou enorm helpen bij het in kaart brengen van een verstandige strategie voor het verwezenlijken van een nieuw evenwicht.

De derde fout heeft betrekking op iets dat is weggelaten: zoals ECB-president Mario Draghi onlangs heeft gezegd, beschikt Europa wel over een begrotingspact, maar nog niet over een groeipact. Toegegeven, er bestaan geen snelle oplossingen: initiatieven die de krantenkoppen halen volstaan zelden om de groei weer op gang te brengen. Toch is er een serieuze discussie nodig over de vraag hoe het budget van de Europese Unie kan worden ingezet om de economische prestaties te verbeteren, en niet alleen voor herverdeling te zorgen; hoe groeibevorderende hervormingen op nationaal niveau kunnen worden aangemoedigd; en hoe de investeringen kunnen worden aangezwengeld in bepaalde sectoren van de periferielanden.

Een geloofwaardig groeipact zou kunnen helpen de onmiddellijke obstakels te overwinnen. Het Marshall Plan van na de Tweede Wereldoorlog was immers niet alleen succesvol door zijn omvang, maar ook omdat het zogenoemde 'zero-sum games' (transacties waar niemand iets mee opschiet) en een zichzelf vervullend pessimisme hielp voorkomen. Dat is een les die we vandaag de dag in gedachten moeten houden.

Maar bezuinigingen zijn niet de enige dimensie van het debat. De ontwikkelingen van de afgelopen twee jaar hebben de zwakte blootgelegd van een 'uitgeklede' monetaire unie, die louter is gebaseerd op een eenheidsmunt en begrotingsdiscipline. Hoewel de hervormingen die als gevolg van de Griekse crisis zijn doorgevoerd de eurozone de beschikking hebben gegeven over instrumenten om crises te bestrijden, zal er meer nodig zijn om het vertrouwen te herstellen, de financiële stabiliteit te verzekeren en financiële fragmentatie te voorkomen.

Een sleutelkenmerk van de Europese crisis was de sterke relatie tussen de problemen in de banksector en de problemen met de staatsfinanciën. Telkens weer hadden de problemen van de banken gevolgen voor de leenkosten van overheden en hebben de zorgen over de solvabiliteit van landen gevolgen gehad voor de bankbalansen.

Deze grote dreiging voor de financiële stabiliteit is afgenomen, maar niet verdwenen, doordat de ECB grote hoeveelheden geld in het banksysteem heeft gepompt. Het recente opduiken van nieuwe zorgen over Spanje toont aan dat het probleem nog niet is opgelost.

Hervormingen van het systeem om dit laatste te bewerkstelligen worden allemaal gekenmerkt doordat ze méér integratie betekenen: de gezamenlijke uitgifte van 'euro'-obligaties die de rol kunnen vervullen van 'veilige' bezittingen in de portefeuilles van de banken, een 'bankenunie' met een gemeenschappelijk regime voor depositoverzekering, supervisie en het oplossen van crises – of allebei. In beide gevallen is er sprake van het delen van risico's door de lidstaten van de eurozone.

In Frankrijk, Nederland en elders zien veel burgers Europa als een bedreiging voor hun manier van leven. Politici vinden het buitengewoon lastig om hen te vertellen dat de euro een onaffe constructie is waar nóg meer inzet voor nodig zal zijn. De vraag voor de komende maanden is of de Europese leiders genoeg politiek kapitaal zullen hebben om méér hervormingen door te voeren en die aan een boos publiek te verkopen. Als dat niet het geval is, moeten we vrezen dat ze het louter bij platitudes zullen laten en er maar het beste van hopen.

Vertaling: Menno Grootveld