4

Europa kampt met een tekort aan vertrouwen

Er is vandaag de dag geen gebrek aan verhalen over de Europese tekorten en de noodzaak om die recht te zetten. Critici wijzen op de gapende begrotingstekorten. Ze refereren aan de chronische tekorten op de betalingsbalansen van de Zuid-Europese landen. Ze benadrukken de institutionele tekorten van de eurozone – een eenheidsmunt en een centrale bank, maar geen van de andere elementen van een goed functionerende monetaire unie.

Op al deze terreinen hebben de critici natuurlijk een punt. Maar geen van deze tekorten is het tekort dat er werkelijk toe doet. Het tekort dat Europa ervan weerhoudt een streep onder zijn crisis te trekken, is een tekort aan vertrouwen.

Ten eerste is er te weinig vertrouwen tussen de nationale leiders en hun kiezers. We hebben dit het duidelijkst gezien in de persoon van de vroegere Italiaanse premier Silvio Berlusconi, die gelukkig naar de coulissen van het politieke toneel is verbannen. Maar zelfs de meest standvastige Europese leiders hebben het vertrouwen van hun kiezers verspeeld door de ene dag dit te zeggen en de volgende dag het tegenovergestelde.

Eind februari had de Duitse bondskanselier Angela Merkel bijvoorbeeld met veel omhaal verkondigd dat er geen stevigere financiële dam nodig was om de andere lidstaten van de eurozone te beschermen tegen een wanordelijk Grieks staatsbankroet. Zij bezwoer destijds dat niet nog meer Duits belastinggeld voor dit doel zou worden gebruikt. Toch wist iedereen dat zodra de Duitse Bondsdag voor de jongste steunoperatie voor Griekenland zou hebben gestemd en er genoeg tijd voorbij zou zijn gegaan om de werkelijkheid op elegante wijze onder ogen te zien, Merkel van koers zou veranderen en zou betogen dat de eurozone alsnog een sterkere beschermingsconstructie nodig had.

In feite is er helemaal niets elegants aan dit alles. Als politici op het ene moment dit zeggen, terwijl iedereen weet dat ze binnen de kortste keren precies het tegenovergestelde zullen gaan beweren, kun je er vergif op innemen dat het vertrouwen in de Europese leiders zal worden ondermijnd.

In de tweede plaats is er sprake van een gebrek aan vertrouwen tussen de  lidstaten van de Europese Unie. De échte reden dat de Noord-Europeanen niet bereid zijn meer financiële steun aan Zuid-Europa te geven, is dat zij er geen vertrouwen in hebben dat de ontvangers dit geld verstandig zullen besteden. Zij zijn er bijvoorbeeld bang voor dat extra obligatie-aankopen door de Europese Centrale Bank, gericht op het omlaag brengen van de Spaanse leenkosten, er alleen maar toe zullen leiden dat de Spaanse regering haar hervormingsplannen zal afzwakken. Als gevolg daarvan zijn Duitsland en zijn bondgenoten slechts bereid nét voldoende steun te verlenen om te voorkomen dat het schip kapseist, maar niet genoeg om het weer vlot te trekken.

In de derde plaats is er een gebrek aan vertrouwen tussen de sociale groeperingen waarop een beroep wordt gedaan om offers te brengen. Italiaanse taxichauffeurs zouden bereid zijn méér concurrentie toe te laten, als ze er zeker van zouden zijn dat de Italiaanse apothekers dat ook zouden doen. Maar als door het uitgeven van méér taxivergunningen de inkomsten van de taxichauffeurs afnemen, terwijl de apothekers er in slagen een stokje te steken voor concurrentiebevorderende maatregelen die de kosten van hun diensten omlaag moeten brengen, zijn de taxichauffeurs uiteindelijk slechter af en zullen de apothekers rijker worden, wat niet helemaal eerlijk lijkt.

Met andere woorden: het gebrek aan sociaal vertrouwen staat structurele hervormingen in de weg. De Griekse versie van dit dilemma, waarbij niemand belastingen betaalt, omdat niemand anders dat doet, is wel bijzonder schril.

Uit onderzoek blijkt dat er grote verschillen bestaan tussen samenlevingen als het om het vertrouwen gaat. Economen hebben aangetoond dat hiervoor diepgaande historische redenen zijn.

In Europese regio's, waar minderheidsgroeperingen vijfhonderd jaar geleden werden vervolgd, zijn ethnische en religieuze conflicten de afgelopen jaren algemener verspreid geweest dan in andere. In de delen van de Balkan, die lang zijn overheerst door het Ottomaanse Rijk, is het vertrouwen in de overheid geringer dan in nabijgelegen gebieden, die zijn geregeerd door de efficiëntere Habsburgers. In regio's waarvan inwoners zich al eerder met de landbouw zijn gaan bezighouden, waardoor ze gedwongen werden intensiever samen te werken, zullen hun afstammelingen vandaag de dag eerder geneigd zijn vertrouwensbanden aan te gaan.

Dit is duidelijk een houding die van generatie op generatie wordt doorgegeven en die in de cultuur van een samenleving besloten ligt. Eenvoudig gesteld: als het om vertrouwen gaat, werpt de geschiedenis een lange schaduw.

Historici benadrukken het belang hiervan al langer: gebeurtenissen in een ver verleden blijven van invloed op de ontwikkelingen in het heden. Maar ze wijzen ook op de bijzondere momenten waarop samenlevingen er wél in zijn geslaagd buiten de gebaande paden te treden. Een crisis, die de levensvatbaarheid van de gevestigde structuren in twijfel trekt, is zo'n moment.

De eurocrisis biedt Europa dus een kans om het vertrouwen opnieuw te bevestigen. De nationale leiders moeten het vertrouwen van hun kiezers opnieuw zien te winnen door ze geen sprookjes meer te vertellen. De lidstaten van de Europese Unie moeten het onderlinge vertrouwen herstellen. En de Europese landen, die worden geconfronteerd met de noodzaak van structurele hervormingen, moeten het sociale vertrouwen binnen eigen gelederen nieuw leven inblazen.

Als deze kans om het vertrouwen te herstellen wordt verkwanseld, zal het voor Europa moeilijk, zo niet onmogelijk zijn om alle tekorten – op het gebied van de begroting, de economie en de instituties – aan te pakken.