5

Europa's ondoordachte zoektocht naar groei

BRUSSEL – Een paar maanden geleden ondertekenden 25 van de 27 lidstaten van de Europese Unie plechtig een verdrag dat hen verplichtte harde grenzen voor hun begrotingstekorten op te nemen in hun nationale grondwetten. Dit zogenoemde 'begrotingspact' was de sleutelvoorwaarde om Duitsland ermee te laten instemmen de financiering van de noodfondsen van de eurozone aanzienlijk te verhogen, en om de Europese Centrale Bank (ECB) haar 'langetermijnherfinancieringsoperatie' (LTRO) van €1 bln te laten uitvoeren, die van essentieel belang is voor de stabilisering van de financiële markten.

Vandaag is de aandacht van de eurozone echter verschoven naar de groei. Dit is een patroon dat zich in de Europese politiek telkens herhaalt: bezuinigingen worden afgekondigd en verdedigd als voorwaarde voor groei, maar als de recessie vervolgens blijkt te bijten, wordt groei de voorwaarde voor het doorgaan met de bezuinigingen.

Ongeveer vijftien jaar geleden had Europa te maken met een soortgelijke cyclus. Begin jaren negentig, toen de plannen voor de Europese Monetaire Unie werden opgesteld, eiste Duitsland een 'Stabiliteitspact' als prijs voor het opgeven van de Duitse mark. Toen Europa na 1995 in een diepe recessie terechtkwam, verschoof de aandacht naar de groei, en werd het 'Stabiliteitspact' het 'Pact voor Stabiliteit en Groei,' nadat de Europese Raad in 1997 een resolutie over “groei en ontwikkeling” had aangenomen.

De behoefte aan groei is vandaag de dag nog even sterk als vijftien jaar geleden. In Spanje was het werkloosheidscijfer destijds net zo hoog als nu, en in Italië was het in 1996 zelfs hoger dan vandaag. Ook politiek is de achtergrond dezelfde: de groei werd aan het pact toegevoegd onder druk van een nieuwe Franse regering (destijds onder leiding van Jacques Chirac). Vandaag heeft Frankrijk opnieuw de politieke aanzet gegeven voor een verschuiving in de richting van de groei.

Het is niet controversieel om van de groei een politieke prioriteit te maken (wie zou daar immers tegen zijn?) Maar de werkelijke vraag is: wat kan Europa doen om groei te scheppen? Het eerlijke antwoord is: vrij weinig.

De sleutelelementen van een groeistrategie zoals die dezer dagen door de Europese leiders wordt besproken, zijn feitelijk dezelfde als in 1996-'97: arbeidsmarkthervormingen, het versterken van de interne markt, meer geld voor de Europese Investeringsbank (EIB) om kredieten te verstrekken aan kleine tot middelgrote ondernemingen, en meer middelen voor investeringen in  de infrastructuur van armere lidstaten. Met name de laatsgenoemde twee punten krijgen veel aandacht omdat er meer uitgaven mee zijn gemoeid.

Maar de omstandigheden zijn vandaag de dag ook heel anders. Het bedrijfsmodel van de EIB zou radicaal moeten worden veranderd om de bank van nut te laten zijn voor het bevorderen van de groei, omdat zij uitsluitend leningen verstrekt tegen overheidsgaranties, terwijl de onder fiscale druk staande zuidelijke lidstaten van Europa zich geen verdere lasten meer kunnen veroorloven. Bovendien kan de EIB, in tegenstelling tot wat daarover algemeen wordt gedacht, niet rechtstreeks aan kleine en middelgrote ondernemingen lenen. De EIB kan alleen grote banken het geld geven om kredieten te verstrekken aan plaatselijke kleine en middelgrote bedrijven. Maar de ECB doet dit in feite al met zijn LTRO-kredieten met een looptijd van drie jaar.

Er wordt ook gesproken over een 'Marshall Plan' voor Zuid-Europa. Vijftien jaar geleden was er een duidelijke behoefte aan een betere infrastructuur daar. Maar sindsdien hebben de zuidelijke landen een decennium van vrije hoge investeringen in infrastructuur achter de rug – meer dan 3 procent van het bbp in Spanje, Griekenland en Portugal.

Als gevolg daarvan hebben de meeste landen in het zuiden van de Europese Unie vandaag de dag waarschijnlijk wel voldoende infrastructuur. In feite zouden meer infrastructurele investeringen zinvoller zijn in Duitsland, waar dit soort uitgaven bijna tien jaar lang onder de maat zijn gebleven (slechts 1,6 procent van het bbp, ofwel de helft van het Spaanse percentage). Dat is de reden dat de beroemde Autobahnen van Duitsland tegenwoordig berucht zijn om hun files.

Maar voor de financiering van de Duitse infrastructuur is geen Europees geld nodig, want de Duitse regering kan geld lenen tegen negatieve reële kosten. Tegen de rente die de Duitse overheid vandaag de dag moet betalen, zou zij veel investeringsprojecten moeten kunnen vinden met een positief sociaal rendement. Gezien het feit dat Duitsland bijna volledige werkgelegenheid kent, zouden meer infrastructurele bestedingen daar waarschijnlijk tot veel importen leiden (en werkloze bouwvakkers uit Spanje aanlokken), wat zou bijdragen tot het broodnodige herstel van het evenwicht in de eurozone.

Helaas is het onwaarschijnlijk dat dit zal gebeuren, omdat infrastructurele investeringen vaak op tegenstand onder de bevolking stuiten. Over zulke investeringen wordt vaak beslist op lokaal en regionaal niveau, waar de oppositie van onderaf tegen grote projecten het sterkst is (het heeft bijvoorbeeld meer dan twintig jaar gekost om de modernisering van het spoorwegstation van Stuttgart er doorheen te krijgen).

De drang om de indruk te wekken “iets te doen” brengt de Europese beleidsmakers ertoe gebruik te maken van de weinige instrumenten waarvan de EU kan beweren dat zij de groei bevorderen. Maar zij zouden moeten erkennen dat de hedendaagse 'groeicrisis' anders is. De echte deal zou niet moeten bestaan uit bezuinigingen plus een Marshall Plan voor het zuiden, maar eerder uit aanhoudende bezuinigingen plus arbeidsmarkthervormingen in het zuiden, in combinatie met meer infrastructuurinvesteringen in Duitsland en andere landen met een hoge kredietstatus, zoals Nederland.

Diepgaande hervormingen van de dienstensector in Duitsland zouden ook helpen om het productiviteitspotentieel van het land te ontsluiten en zijn markt te openen voor de dienstenexport uit Zuid-Europa. Op die manier zou het zuiden een kans hebben om banen te vinden voor zijn goed opgeleide jongeren, die nu alleen maar kunnen kiezen tussen werkloosheid en emigratie.

Vertaling: Menno Grootveld